Proeftuin aardgasvrije wijken en Monopolie, spelregels zijn cruciaal

De Rijksoverheid heeft als doel dat in 2050 alle gebouwen in Nederland ‘van het aardgas’ af zijn om daarmee de gebouwde omgeving klimaatneutraal te maken. In plaats van aardgas krijgt elk huis en elk gebouw een andere energiebron voor verwarming, voor koken en voor de warmwatervoorziening. Er zal ook veel energiebesparing moeten worden gerealiseerd. Het jaar 2050 lijkt nog ver weg, maar dit betekent dat in de komende 30 jaar ruim 7 miljoen huizen en een half miljoen bedrijfsgebouwen worden losgekoppeld van het aardgas. Uitgaande van 250.000 huizen per jaar moeten 1000 woningen per dag, week in, week uit, worden aangepakt. Dit is één van de grootste opgaven in de gebouwde omgeving waar Nederland ooit voor heeft gestaan.

Ik ben overigens een groot voorstander om te praten over het klimaatneutraal maken van de huizen. Dat is een combinatie van een andere energiebron dan aardgas én isolatie. Klimaatneutraal is het lonkend perspectief. Van het aardgas af is daarbij het middel, maar niet het doel.

Om deze opgave in goede banen te leiden gaan alle partijen waaronder gemeenten, bewoners, woningbouwcorporaties, installateurs, bouwbedrijven, energieleveranciers, netbeheerders en anderen decennialang intensief samenwerken aan deze transitie. Hoe dat in de praktijk gaat werken en wat de beste methodes zijn gaan zij samen uitvinden. Vragen daarbij zijn hoe de besluitvorming zal gaan, hoe breed draagvlak bij bewoners wordt verkregen, hoe de uitvoering wordt georganiseerd, of en hoe de bewoners hun gedrag moeten aanpassen etc. Alle afspraken bij elkaar noem ik voor het gemak de spelregels van de transitie.

Om het belang van spelregels toe te lichten, maak ik een vergelijking met het bordspel Monopolie. Toen ik dat voor het eerst ging spelen begon ik met het lezen van de handleiding. Daardoor werd mij duidelijk wat het doel is, hoeveel spelers meedoen, wat wel en wat niet mag, hoeveel geld iedere speler bij de start krijgt en waarover elke speler mag beslissen. Pas toen ik alle spelregels kende kon ik samen met de andere spelers het spel spelen.

Dat niet alle spelregels vooraf kunnen worden afgesproken was voor het ministerie van BZK een reden om 27 proeftuinen, dat zijn wijken die als eerste klimaatneutraal worden, subsidie te geven. Doel is dat bewoners, overheden, gebouweigenaren en andere betrokken partijen leren hoe ze een bestaande wijk succesvol klimaatneutraal kunnen maken. Heeft dat leren nu voldoende aandacht in de proeftuinen? Daar twijfel ik aan. Navraag bij een aantal partijen leert mij dat vaak wordt gestart met te praten over wat de ‘beste’ oplossing is en dan praat men vaak over techniek. Wordt het restwarmte, aardwarmte, all-electric of waterstof? Of toch nul-op-de-meter woningen? Of beide? Allemaal belangrijke vragen, maar voordat die beantwoord worden is mijn advies om eerst de spelregels voor de besluitvorming en de rol van de bewoners en eigenaren te bepalen. Daarbij is breed draagvlak bij bewoners en gebouweigenaren cruciaal voor het slagen van deze transitie. Op de vraag hoe draagvlak kan worden verkregen is bewonersparticipatie het antwoord. Maar slechts weinigen kunnen mij uitleggen hoe dat wordt georganiseerd en waarin de bewoners dan mogen participeren. Waarover mogen zij besluiten? En waarover niet? Wat ligt al vast? Deze en andere vragen moeten vooraf worden beantwoord.

Nu de proeftuinen nog in de startfase zijn heb ik twee suggesties:

  1. Begin bij alle proeftuinen met het maken van afspraken hoe, door wie en op welk moment besluiten worden genomen en welke rol bewoners daarin hebben. Wat ik eerder de spelregels van de transitie noemde.
  2. Laat het Expertisecentrum Warmte (ECW), waarvoor De Gemeynt het organisatieplan heeft opgesteld, de kennis en ervaringen die de 27 proeftuinen opdoen verzamelen en actief verspreiden bij alle 380 gemeenten. Het ECW kan daarmee een vliegende start maken als kennis- en expertisecentrum voor alle gemeenten in Nederland die werk gaan maken van een klimaatneutrale gebouwde omgeving.

Hans Wiltink is partner bij De Gemeynt, samenwerkingsverband van adviseurs, denkers en entrepreneurs, en projectleider van het organisatieplan voor het ECW, zie www.gemeynt.nl

Op tafel, die klimaatoptie! Uit de taboesfeer!

Sturen we op technologie met als gevolg dat de CO2-emissies steevast hoger zijn als de economie aantrekt? Of durven we het om te keren, door te sturen op CO2 en te kijken welke groei dan nog resulteert?

Het was een aardige speech die minister Eric Wiebes onlangs afstak, bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEA). Hij vertelde hoe hij zijn best moet doen om allerlei opties voor klimaatbeleid die telkens van de tafel afvallen weer op te rapen, en opnieuw op tafel te leggen. Met passende bewegingen zette Wiebes zijn betoog kracht bij. Tal van rapporten geven hem gelijk: om de klimaatverandering binnen de perken te houden hebben we vrijwel alle opties nodig. Zijn betoog leek op dat van Arjan Lubach, die de optie kernenergie op briljante wijze uit de taboesfeer haalde. Niet dat kernenergie in de taboesfeer zat overigens. Er is een kernenergiewet, en wie aan de eisen van die wet voldoet mag gewoon een kerncentrale bouwen. Er is geen taboe. Maar los daarvan: het is goed dat alle opties om de klimaatverandering tegen te gaan op tafel liggen, en dat alle opties bespreekbaar zijn.
Alle opties? Nee, tegen een optie blijven we moedig weerstand bieden. Die valt niet eens van tafel, die heeft er eigenlijk nooit op gelegen. De laatste keer dat ‘ie in het openbaar is gesignaleerd, is al weer een hele tijd geleden. Dat was kort na het verschijnen van het eerste rapport aan de Club van Rome, Grenzen aan de Groei. Latere waarnemingen zijn met zekerheid omkleed: was het die optie nou of niet? Meestal niet, hij is haast nooit bespreekbaar.

Toch is de analyse helder en hard, het is een optie die niet gemist mag worden. Kijk, voor de klimaatemissies geldt de formule die al begin jaren ’70 in zwang is: I=PxAxT. De Impact I is gelijk aan de bevolkingsomvang P (Populatie), de Welvaart A (Affluence, het Bruto Binnenlands Product BBP), oftewel het volume aan goederen en diensten in geld gemeten, en de stand van de technologie T.
De opties waar we het steeds over hebben zijn technologische opties, de T in de formule. Inderdaad zijn bijna alle technologieën nodig als we de opwarming tot 2 (laat staan de onhaalbare 1,5) graden willen beperken. Dat is mede het geval omdat we alleen op T sturen. Andere factoren blijven buiten beschouwing waar op zich best op te sturen zou zijn: bevolkingsomvang P, en welvaart A. Want kijk eens hoe de factoren in de tijd veranderen. De emissies (I) dalen overal maar mondjesmaat, terwijl voor 2 graden zeer verregaande emissiereducties nodig zijn. De T verbetert echt fenomenaal: nieuwe energietechnologieën produceren waanzinnig veel minder broeikasgassen per eenheid energie dan vroeger. Maar waarom krijgen we de CO2 dan toch amper naar beneden? Makkelijke vraag: omdat het volume van spullen en diensten exponentieel groeit en geconsumeerd door een groeiende populatie P.
De laatste wordt min of meer als gegeven beschouwd, hoewel nuchter kan worden vastgesteld dat we een paar miljard per jaar aan regelingen uitgeven zoals kinderbijslag die de groei van P bevorderen. En A, de groei van de welvaart, economische groei, is al decennia de onaantastbare hoofddoelstelling van elk kabinet.
Zo valt simpel vast te stellen dat tegen de (exponentiële) groei van P en A geen T-kruid gewassen is. Het is al een hele prestatie dat de CO2-uitstoot überhaupt daalt in een groeiende economie. Dat zegt veel over ons technologische vernuft. Zo veel, dat de vraag opkomt waarom we er niet op durven vertrouwen dat als we echt harde eisen aan de CO2-uitstoot stellen, de technologische innovatie ook nog wel wat harder zal lopen. Want dat is de kern: streven we naar maximale economische groei en sturen we slechts op technologie met als gevolg dat de CO2-emissies steevast hoger zijn als de economie wat aantrekt? Of durven we het om te keren, door te sturen op CO2 en te kijken of en welke groei dan nog resulteert? Milieu-econoom en hoogleraar Jeroen van den Bergh noemt dat “a-growth”, groei niet als doel maar als mogelijke uitkomst gegeven andere maatschappelijke doelen die voorrang hebben. Kan die optie van “a-growth” eens bespreekbaar worden? Mag ‘ie optie op tafel, minister Wiebes? Mag ‘ie optie uit de taboesfeer, Arjan Lubach?

Jan Paul van Soest, partner de Gemeynt.

Eerder gepubliceerd op energiepodium, 6 december 2018

Twijfelbrigade 2.0: gekleurde klimaat-brillen nopen niet tot actie

Het Parijse klimaatakkoord als één groot feest van implicatieve ontkenning: een zeer scherpe doelstelling, maar niemand die ernaar handelt 

De geleerde professor Sickbock vindt in het Olivier B. Bommel-verhaal ‘De Zonnige Kijk’ bij toeval een roze bril uit. Wie daardoor kijkt, ziet de situatie buitengewoon positief. De realiteit kleurt roze, de zorgen verdwijnen. Tijdens mijn inleiding ‘Twijfelbrigade 2.0′ op de negende editie van het Springtij Forum eind september op Terschelling, heb ik die roze bril even opgezet. Dat was nog voor het SR1.5-rapport van het IPCC, waarin wordt uitgerekend dat we de opwarming nog nét binnen de 1,5 graden kunnen houden. Het vergt wel wat: netto-CO2-verwijdering uit de atmosfeer, al over twintig, dertig jaar of zo, CCS, kernenergie, een ongekende verbetering van de energie-efficiency en zo verder.

Het is vijf seconden voor twaalf, is de strekking van het IPCC-rapport, maar om twee seconden voor twaalf verschijnen James Bond en Batman tezamen, en om een seconde voor twaalf is de wereld toch nog gered. Iedereen rijdt elektrisch, heeft zonnecellen op dak en auto, wouden aan windturbines wekken subsidieloos schone stroom op, Rusland, de VS, Nigeria, Venezuela en tal van andere landen laten hun fossiele voorraden in de grond zitten, de tientallen bestellingen bij Boeing en Airbus worden afgeblazen, op een koude winteravond – die zijn er dankzij ons doeltreffende handelen dan nog – gooit oom Karel een handvol waterstofkorrels in de open haard, die lustig knispert, en de raceauto van Max Verstappen heeft een snelheidsbegrenzer gekregen.

Mij inspireert de roze bril niet. Dat komt doordat de wet van de creatieve spanning wordt overtreden. Die zegt dat doeltreffende actie alleen ontstaat als de afstand tussen de realiteit, die eerlijk en open onder ogen moet worden gezien, en de visie, de te realiseren situatie, hanteerbaar is. Ons menselijk brein hanteert verschillende tactieken om met een onhanteerbaar groot verschil tussen visie en realiteit om te gaan. De roze bril is zo’n tactiek: de werkelijkheid bijkleuren omdat deze in het volle daglicht moeilijk te verdragen is. Het valt wel mee, er gebeurt zo veel, iedereen heeft toch het Parijs-akkoord ondertekend, kijk eens hoe snel de kosten van zonne-energie dalen, en zelfs Trump erkent nu toch dat het opwarmt?

De grootste ontkenning, links en rechts, is wel die van de trade-off tussen het klimaatdoel en de groei van het BBP

Een tweede tactiek is de visie en ambities naar beneden bijstellen. Laten we realistisch zijn, transitie ok, maar het mag niet te veel kosten, Nederland moet niet vooroplopen, en met adaptatie komen we ook wel een eind. De Twijfelbrigade 1.0 ontkent letterlijk dat het klimaat verandert en/of dat de verandering door de mens komt, alle bewijzen ten spijt. Onder meer PVV, Forum voor Democratie en Elseviers Weekblad zitten nog middenin dat stadium, en verspreiden met regelmaat baarlijke nonsens over het klimaat. Maar grosso modo zijn we langzamerhand in het stadium van de interpretatieve en vooral implicatieve ontkenning beland, oftewel: selectief winkelen in de kennis, respectievelijk de gevolgen van de situatie niet kunnen of willen zien.

Het Parijse klimaatakkoord was één groot feest van implicatieve ontkenning: een zeer scherpe doelstelling, maar niemand die ernaar handelt. Dat geldt voor alle landen, en alle kanten van het politieke spectrum. ‘Rechts’ schrapt maatregelen die ze aan die kant als te duur en/of niet populair beschouwen, zoals rekening rijden, ‘links’ blokkeert maatregelen die daar als ‘fossiele lock-in en/of niet populair worden beschouwd, zoals CCS. Wie geen passende maatregelen accepteert neemt in wezen het doel niet au sérieux.

De grootste ontkenning, links en rechts, is wel die van de trade-off tussen het klimaatdoel en de groei van het BBP. Kijk, de oude formule I=P*A*T geldt nog steeds: de impact (hier emissies) is een functie van de bevolkingsomvang (Populatie, P), de welvaart (Affluence, A, BBP), en de technologie (T). Op technologie wordt veel winst geboekt, maar de verbeteringen van de factor T (emissies per eenheid energie) worden continue opgevreten door groeiende volumina goederen en diensten, oftewel A, die geconsumeerd worden door een groeiende populatie P. Maar die zijn onbespreekbaar. Roze brillen, ongefundeerd optimisme – ik word er droef van. Maar ook van donkere brillen: cynisch realisme en bij de pakken neerzitten. Geen van beide zet me aan tot actie.

Maar waar moeten we het dan van hebben? De ‘derde weg’ die mij in elk geval houvast biedt is die van de hoop. De motivatie om te handelen wordt dan niet ontleend aan de werkelijkheid die al dan niet gekleurd, roze of juist zwart, wordt waargenomen, maar aan de juistheid van de zaak (‘the good cause’) en de persoonlijke, morele erkenning daarvan. Hoop zoals Vaclav Havel bedoelde toen hij schreef: “Hoop is een kwaliteit van de ziel, en is niet afhankelijk van wat er in de wereld gebeurt (…) Hoop is niet hetzelfde als optimisme. Evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen. Wel de zekerheid dat iets zinvol is, ongeacht de afloop, het resultaat”.

Jan Paul van Soest is partner bij De Gemeynt, samenwerkingsverband van adviseurs, denkers en entrepreneurs, zie www.gemeynt.nl

Eerder gepubliceerd op www.energiepodium.nl, 30 oktober 2018

Zeven energie- en klimaatzorgen

Jan Paul van Soest over zijn zorgen bij de ombouw van een energiesysteem dat in tientallen jaren is verfijnd en geoptimaliseerd, maar dat ook best vast zit.

Mag ik wat zorgen met u delen? Ook als ik daarvoor geen oplossingen weet? Ik nodig u wel graag uit uw antwoorden te geven, en uiteraard is ook bij mij het denkwerk in volle gang. De zorgen betreffen de ombouw van een complex energiesysteem dat in tientallen jaren is verfijnd en geoptimaliseerd, en waarin een vele professionele en kapitaalkrachtige spelers hun rollen en niches hebben gevonden. Logischerwijs zit dat best vast. Dat het anders moet staat buiten kijf. Doorgaan op deze weg brengt een zeer risicovolle klimaatverandering met zich mee, door de broeikasgassen die aan het energiesysteem ontsnappen. Er zijn ook andere zorgelijke impacts, zoals de aardbevingen bij de Groningse gaswinning, maar ik concentreer me hier op klimaat.

Dat is meteen mijn eerste zorg: er zijn veel verschillende motieven voor verandering in omloop, variërend van ‘mijn’ klimaatmotief tot motieven als energie-onafhankelijkheid, kleinschaligheid of de wens het kapitalistische systeem omver te werpen. Hoe krijgen we daar meer eenduidigheid in? Of als er geen eenduidigheid te creëren is, hoe kunnen we gegeven de diversiteit van verandermotieven toch effectief het klimaatprobleem aanpakken?

Mijn tweede zorg betreft het nieuwe energiesysteem. Ook dat heeft impacts, al worden die liefst niet benadrukt. Maar naarmate het nieuwe energiesysteem met een toenemend aandeel hernieuwbare bronnen zich verder ontwikkelt worden die steeds zichtbaarder. Ruimtelijke impact, aantasting van biodiversiteit (met name bij biomassa-inzet een groot risico), grondstoffenschaarste, en zo zijn er meer. Kunnen we die impacts beter in kaart brengen en in bespreking brengen voor ze zich zodanig aandienen dat ze het draagvlak voor de energietransitie ondermijnen? Dat proces is al gaande, vrees ik.

De redenering ‘het klimaat gaat naar de haaien dus moet Nederland vergaand zijn emissies reduceren’ klopt wel, maar gaat tegelijk een wezenlijk dilemma uit de weg

Afvang en opslag van CO2: pleidooi voor een verguisde optie

Accepteer CCS als wezenlijk onderdeel van een tweegraden-pakket

Het permanente gesteggel over welke opties in het energie- en klimaatbeleid het meest gewenst zijn, en welke juist absoluut niet, verlamt het debat en belemmert dat effectieve maatregelen worden getroffen. Ik geloof dat een welles-nietes over individuele opties, of dat nou technologieën of gedragskeuzes of levensstijlen zijn, ons geen steek verder brengt.

Een uitspraak ‘leve wind op zee’ bevordert de totstandkoming van wind op zee geenszins. Een spandoek ‘hoera voor kernenergie’ zal geen investeerder over de streep trekken. Een publieke afkeuring van bijstook van biomassa weerhoudt niemand van uitvoering van zijn plan als dat lucratief is. Een oproep tot een klimaatvriendelijke levensstijl wordt op zijn best met enige instemming gelezen, mogelijk in het vliegtuig op weg naar de Maladiven.

Soms is het in het maatschappelijke en politieke debat helaas onvermijdelijk om toch even op een bepaalde technologie of familie van technologieën in te gaan. Dat is dan niet met de intentie die optie te pluggen, maar om te bezien welke structurele maatregelen nodig zijn om in elk geval de mogelijkheid te creëren dat een op langere termijn vermoedelijk benodigde optie zich ook echt kan ontwikkelen.

De ellende is dat zo’n genuanceerd en op beleidsmaatregelen gericht betoog in het huidige maatschappelijke debat, waarin de opties in plaats van de maatregelen centraal staan, gemakkelijk wordt misverstaan. Gezien door de lens van het welles-nietes-debat over welke technologieën we het liefste hebben dan wel het meest verafschuwen wordt elke bijdrage gemakkelijk als een welles- of nietes-inbreng gezien.

Talloze studies tonen aan dat de doelstelling maximaal twee graden opwarming onhaalbaar is als er geen CCS in de mix zit