• Home
  • Blog
  • Beleid
  • De Autoriteit Consument en Markt kan in het museum, naast de flessenlikker

De Autoriteit Consument en Markt kan in het museum, naast de flessenlikker

Flessenlikker in het Amsterdam Museum

We leven al ruim in de 21e eeuw, maar soms klinkt toch nog een geluid uit vroeger tijden. Zoals de recente stellingname van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) over kolencentrales.

 

In het SER-Energieakkoord spraken tientallen organisaties af vijf kolencentrales vervroegd te sluiten. Komt niets van in, vindt de ACM, dat is slecht voor Neêrlands welvaart: een gemiddeld huishouden moet dan enige tijd zo’n – let wel – 2 Euro per maand meer voor z’n stroom moet betalen dan wanneer de kolenbakken conform de marktwerking open blijven. Mag niet, vindt de ACM: “Het onderzoek van ACM leidt tot de bevinding dat de voordelen van de afspraak voor de Nederlandse elektriciteitsgebruikers onvoldoende tegen de nadelen opwegen”. De arrogante toon van ACM-bestuurslid Henk Don tijdens zijn toelichting op de radio maakte duidelijk dat het SER-volkje zich zonder morren naar de opvattingen van Zijne Economische Hoogheid de Marktwerking zou moeten schikken.

Plots werd ik overspoeld door het zelfde nostalgische gevoel dat me kan overvallen als ik een oud, in onbruik geraakt object zie liggen in een museum. Een bakelieten telefoon bijvoorbeeld. Of een ouderwetse flessenlikker. Ach, weet je nog, die gebruikten we ooit, maar ja, de tijd heeft het idee ingehaald. De kolenvisie van de ACM heeft iets van die flessenlikker. Het oordeel van deze Autoriteit geurt naar een verleden waarin onze bestuurderen massaal dachten dat marktwerking de oplossing zou zijn voor zo’n beetje alle problemen waar Nederland mee worstelde. Wat maar enigszins naar ‘nut van het algemeen’ riekte, moest worden geliberaliseerd en geprivatiseerd, ook de energiesector. Er waren destijds ook wel andere stemmen, zoals die van de Algemene Energieraad (AER) waarvan ik lid mocht zijn. Borg nou éérst de publieke belangen met adequate regelingen, ga daarna pas liberaliseren en privatiseren, luidde een advies van de Raad. Maar die ideeën werden krachtig weggehoond. De toenmalige minister van Economische Zaken, Annemarie Jorritsma, schamperde dat de AER leed aan een achterhaald Oranjegevoel. In dit verband moet een paar bekentenissen doen. Op een feestje ter gelegenheid van een lustrum van het Directoraat-Generaal Energie (DGE) van Economische Zaken was er een soort kermismarkt, met gelegenheid met dartspijltjes te mikken op foto’s van de beste of juist slechtste ministers en topambtenaren. Mijn eerste bekentenis: ik mikte op minister Jorritsma als slechtste minister, vanwege haar onbekookte, ideologische liberaliseringsoperatie. Mijn tweede bekentenis is: ik miste. Mijn dart trof niet haar foto, maar die van de toenmalige directeur-generaal Noé van Hulst, die indertijd zo mogelijk nóg marktideologischer opereerde dan zijn politieke bazin. Mijn derde bekentenis: deze treffer stemde me geheel tevreden. Ik zou het nu niet meer in mijn hoofd halen zelfs maar in de buurt van Van Hulst te mikken. Dat is omdat hij het heeft aangedurfd te leren, en nu conclusies te trekken die haaks staan op de opvattingen van weleer: “Ik heb veel bijgeleerd”, zegt Van Hulst nu. “De overheid moet sterk regulerend optreden. Je kunt je niet alleen op markten en prijssignalen verlaten”.
Laat ik dan ook maar mijn vierde bekentenis doen: ik kon me aanvankelijk niet voorstellen dat een markt voor zoiets ingewikkelds als de elektriciteitsvoorziening zou werken. Maar dat blijkt wel degelijk mogelijk. Zo werden Van Hulst en ik het eens: de markt werkt, en efficiënt ook, maar is een middel, geen doel. De markt levert geen publieke goederen, zoals klimaatbehoud of schone energie. Dat gebeurt alleen als de overheid regulerend optreedt. Dat bereidden de SER-partners voor via het Energieakkoord: publieke doelen en maatregelen om deze te bereiken. Als de samenleving spreekt en de koers uitzet dienen de hogepriesters van de marktwerking, zoals de ACM, er vol ontzag het zwijgen toe te doen. De maatschappij bepaalt waar we heen willen, de markt kan daarbij als middel onder de juiste randvoorwaarden behulpzaam zijn, maar is nooit een doel. Wie, zoals de ACM, marktwerking van een hogere orde vindt dan maatschappelijke doelen verdient een plekje in een museum. Naast de flessenlikker.
(Eerder verschenen als column op Energiepodium, 7 oktober 2013)
Delen

Labels:, ,

Trackback van jouw site.

Laat een reactie achter

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.