• Home
  • energietransitie

Berichten met een Label ‘energietransitie’

Zeven energie- en klimaatzorgen

Jan Paul van Soest over zijn zorgen bij de ombouw van een energiesysteem dat in tientallen jaren is verfijnd en geoptimaliseerd, maar dat ook best vast zit.

Mag ik wat zorgen met u delen? Ook als ik daarvoor geen oplossingen weet? Ik nodig u wel graag uit uw antwoorden te geven, en uiteraard is ook bij mij het denkwerk in volle gang. De zorgen betreffen de ombouw van een complex energiesysteem dat in tientallen jaren is verfijnd en geoptimaliseerd, en waarin een vele professionele en kapitaalkrachtige spelers hun rollen en niches hebben gevonden. Logischerwijs zit dat best vast. Dat het anders moet staat buiten kijf. Doorgaan op deze weg brengt een zeer risicovolle klimaatverandering met zich mee, door de broeikasgassen die aan het energiesysteem ontsnappen. Er zijn ook andere zorgelijke impacts, zoals de aardbevingen bij de Groningse gaswinning, maar ik concentreer me hier op klimaat.

Dat is meteen mijn eerste zorg: er zijn veel verschillende motieven voor verandering in omloop, variërend van ‘mijn’ klimaatmotief tot motieven als energie-onafhankelijkheid, kleinschaligheid of de wens het kapitalistische systeem omver te werpen. Hoe krijgen we daar meer eenduidigheid in? Of als er geen eenduidigheid te creëren is, hoe kunnen we gegeven de diversiteit van verandermotieven toch effectief het klimaatprobleem aanpakken?

Mijn tweede zorg betreft het nieuwe energiesysteem. Ook dat heeft impacts, al worden die liefst niet benadrukt. Maar naarmate het nieuwe energiesysteem met een toenemend aandeel hernieuwbare bronnen zich verder ontwikkelt worden die steeds zichtbaarder. Ruimtelijke impact, aantasting van biodiversiteit (met name bij biomassa-inzet een groot risico), grondstoffenschaarste, en zo zijn er meer. Kunnen we die impacts beter in kaart brengen en in bespreking brengen voor ze zich zodanig aandienen dat ze het draagvlak voor de energietransitie ondermijnen? Dat proces is al gaande, vrees ik.

De redenering ‘het klimaat gaat naar de haaien dus moet Nederland vergaand zijn emissies reduceren’ klopt wel, maar gaat tegelijk een wezenlijk dilemma uit de weg

Taboes, dogma’s en mantra’s in de energietransitie

Wie kanttekeningen plaatst bij ‘duurzame energie moet’ wordt meteen geframed als transitieremmer

Hoe het exact aan de klimaattafels toegaat weet ik niet, maar het publieke debat eromheen baart me wel zorgen. Ik hoor daarin veel taboes, dogma’s en mantra’s die bedoeld zijn om de transitie te versnellen (op zich al een jeukwoord), maar die ‘m vermoedelijk zullen vertragen.  

Laat ik er een paar noemen.  

Er zijn bijna geen wetenschappelijke scenario’s te vinden die de opwarming tot 2 graden kunnen beperken zonder inzet van CCS, CO2-afvang en -opslag. Er zijn (met name industriële) sectoren die ook niet of nauwelijks alternatieven hebben in de vorm van verregaande energiebesparing en/of elektrificatie gebruik makend van duurzame bronnen. Sterker: in de meeste modelexercities moeten deze eeuw zogeheten negatieve emissies worden gerealiseerd om twee graden nog in beeld te houden. Dat betekent verwijdering van CO2 uit de atmosfeer, bijvoorbeeld en onder meer door ondergrondse opslag.  

In onder ons-gesprekken weet de milieubeweging heel goed hoe de vlag erbij hangt. Maar in het publieke debat wordt telkens stelling genomen tegen CCS, waarbij motivated reasoning hoogtij viert: de conclusie staat vast (geen CCS!), de argumenten worden er vervolgens bij gezocht. De consequentie is dat we tegen de tijd dat zelfs een blind paard ziet dat CCS onvermijdelijk is, we te laat zijn om deze optie ten volle in te zetten.  

Over de hachelijk-eenzijdige focus op elektronen, terwijl we voor energie en vooral voor grondstoffen veel moleculen nodig zullen blijven houden, schreef ik al een vorige column.  

Zorgelijk is ook de onuitgesproken aanname dat duurzame energiebronnen geen impacts hebben. In de modellen zijn misschien wel eindeloze hoeveelheden windmolens en zonnecellen neer te zetten en blijft de impact beperkt tot een kil getal x of y hectare. Maar al die hectares worden, nu ook al, gebruikt voor economische activiteiten zoals landbouw, industrie, of mobiliteit, er wonen mensen, en niet in de laatste plaats ook planten en dieren. Er is altijd een impact, en die moet afgewogen worden tegen alternatieve benutting van diezelfde ruimte en tegen de impacts van de tot nu bekende energievormen.

Waag het niet erop te wijzen dat de instrumenten om de doelen te halen geheel ontbreken

Transitie en belangen, het gelijk van Machiavelli

DSC_7641Belangen, Lobby, Invloed en Macht. In het energiedebat werd altijd een beetje met een boog om die factoren heen gelopen.

Jan Paul van Soest

Het moest immers gaan over energiebesparing en windturbines, over emissiehandelssystemen en energielabels, en over doelstellingen en subsidieregelingen. Ook onderzoeksprogramma’s bleven liefst een beetje weg van de BLIM (Belangen, Lobby, Invloed, Macht). Weinig aandacht, een enkeling daargelaten. Geen geld voor. Griezelig. Niet in het belang van grote sponsoren. Geen onderzoekstraditie. Wel geld voor onderzoeken naar de vraag hoe Hendrik en Ina ertoe zouden kunnen worden verleid hun autobanden goed op spanning te houden, welk effect, zo dat er al was, onmiddellijk wordt opgevreten door de mogelijkheid 130 km/u te rijden dankzij een hobby van een Minister-zonder-portefeuille. Maar er is amper geld voor onderzoek naar de vraag hoe het nou kon dat die Minister er zo’n maatregel doorheen wist te jassen, terwijl haar Staatssecretaris-met-portefeuille en de Minister van Economische Zaken zich met de handen in het haar afvragen hoe ze in hemelsnaam aan de klimaateisen van de rechtbank in de Urgenda-rechtszaak kunnen voldoen. En terwijl gemeenten, GGD’s en actiegroepen wijzen op de gezondheidseffecten van een toenemende luchtverontreiniging door stikstofoxiden en fijnstof en voor extra ongevallen in het verkeer. Maar die krijgen geen poot aan de grond, hun waarschuwingen vervliegen als fijnstof in de wind. Hardrijders hebben hun BLIM duidelijk beter voor elkaar dan astmalijders.

De te weinig onderzochte vraag is: hoe komt dat eigenlijk?

In de wetenschap is de aandacht voor vragen naar macht, invloed, lobby en belangen aan het toenemen. Al moeten de middelen voor onderzoek hiernaar wel voor de poorten van de hel worden weggesleept. Niettemin, de groeiende aandacht heeft onder meer geresulteerd in een opmerkelijk proefschrift van Magda Smink, die op 20 november bij de Utrechtse Innovatieprofessor Marko Hekkert promoveerde. Dat boekwerk helpt te begrijpen waarom duurzame veranderingsprocessen zo moeizaam verlopen, zeker ook in Nederland: de instituties (de regel die economie en maatschappij structureren) zijn het stolsel van de maatschappelijke strevingen uit het verleden. Die zijn op goede gronden in het leven geroepen, maar zijn tevens een blok aan het been voor verandering. Als er nieuwe strevingen komen aan de hand van nieuwe inzichten: eventjes geduld a.u.b., de steven kan niet snel worden gewend; de institutionele stroop waarin de samenleving vaart staat behendig laveren naar een nieuwe toekomst niet zomaar toe.

Machiavelli schreef het al rond 1514 in De Heerser (il Principe): “Niets is lastiger om aan te pakken, hachelijker om er de leiding over te nemen, of minder zeker van succes, dan het invoeren van nieuwe dingen, omdat degene die nieuwigheden invoert, hen die het in de oude toestand goed ging tot vijanden en hen die het onder de nieuwe omstandigheden goed zou kunnen gaan, als lauwe verdedigers heeft”.

Het proefschrift van Smink onderbouwt het gelijk van Machiavelli, en laat zien hoe zittende belangen vaardig gebruik maken van de instituties om ontwikkelingen die hun positie bedreigen tegen te houden of te vertragen. Ze doen dat, samengevat, door:

1) zich als partner van overheden op te stellen om zo hand in hand de instituties te beïnvloeden en op hun belangen gericht te houden,

2) proactief zelf alternatieve plannen op te stellen (die natuurlijk het zittende belang meer dienen dan de voorstellen voor verandering),

3) de eigen belangen handig te framen als algemeen belang

4) onderzoek op tafel te leggen dat de zienswijze onderbouwt; dat onderzoek is op zichzelf meestal wel onafhankelijk, maar de vraagstelling kan sterk door het opdrachtgeversframe gekleurd zijn, en tenslotte

5) via de media de publieke opinie goed te bespelen.

De lezer die blijmoedig in dit proefschrift begon zou na afloop kunnen sombermansen dat het allemaal toch niet gaat lukken. Wie of wat is immers tegen de BLIM van de zittende orde opgewassen? Toch hoeft dat niet, de strategieën van de zittende macht zijn óók door de nieuwkomers in te zetten. Voorwaarde is wel coalitie- en machtsvorming, zoals onder meer door De Groene Zaak en recent de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie NVDE wordt vormgegeven. Donkergroene pioniers van de duurzaamheidsbeweging huiverden wel eens bij het idee dat bedrijven en organisaties een belang zouden krijgen bij vergroening. Ze hebben ongelijk: die belangen zijn juist keihard nodig. Ze beginnen te ontstaan, de wetenschap laat zien hoe ze beter in het maatschappelijke en politieke spel kunnen worden uitgespeeld.

Jan Paul van Soest

Eerder gepubliceerd op Energiepodium

Nieuw rapport Urgenda verfrissend en confronterend

Heel, heel lang geleden, diep in de vorige eeuw, in 1974 om precies te zijn, schreef de vermaarde columnist en voormalig Volkskrant-hoofdredacteur Jan Blokker de bundel ‘Ben ik eigenlijk wel links genoeg?’. Verplichte kost destijds, kritische zelfreflectie voor linksige intellectuelen die aan permanente twijfel onderhevig zijn. Niet te geloven, maar het boekje staat integraal op internet.
 

Avonturier Bernice Notenboom zal een vlag met wensen en dromen van basisschoolleerlingen planten op de Noordpool, bij de start van haar Arctic March expeditie, om de urgentie van klimaatverandering en energietransitie onder de aandacht te brengen. Haar expeditie is te volgen via arcticmarch.com.

Ik moest aan de columns van Blokker denken bij lezing van het nieuwe rapport van Urgenda ‘Het kan als je het wilt – Nederland 100% duurzame energie in 2030′. Dat vond ik een verfrissend en tegelijk confronterend rapport. De titel zegt alles: ‘Het kan als je het wilt’, en dat roept meteen de vraag op: willen we? Wil ik? Wat dan, hoe en hoe snel?

Zware industrie kan motor zijn voor groene economie

Nederland moet de basisindustrie niet de deur uitdoen, maar juist inzetten als gangmaker voor de overgang naar een duurzame economie.

Draai de aardgaskraan een flink stuk dicht, neem afscheid van de zware energie-intensieve industrie in Nederland, en mik op duurzame energie, plantaardige grondstoffen en kennis. Dát is groene industriepolitiek, zo luidt kort samengevat het betoog van GroenLinks-Kamerlid Liesbeth van Tongeren (Opinie, 8 januari).

Minister Jan Willem de Pous legde in 1962 de grondslag voor het gasbeleid en het daarop gebaseerde industriebeleid. Bron: Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/de Nijs (Wikimedia/commons)

Dat snijdt geen hout: juist een offensief industriebeleid is nodig dat de zware industrie tot gangmaker van de transitie naar een duurzame economie maakt. Van Tongerens visie op groene industriepolitiek faalt economisch én ecologisch. Dat laatste lijkt op het eerste gezicht vreemd. Immers, minder zware industrie in Nederland betekent toch minder vervuiling? Nee, zo werkt het niet. In een open economie waarin grondstoffen, energiedragers en goederen probleemloos grenzen passeren, zijn slecht doordachte maatregelen ineffectief, of ze werken zelfs averechts.

Kenniseconomie

De Britse energie-econoom Dieter Helm laat dat in zijn boek ‘The Carbon Crunch’ genadeloos zien: de industrielanden vegen hun eigen straatjes schoon door energie-intensieve grondstoffen en producten te importeren in plaats van deze zelf te produceren. Hierdoor verplaatst de vervuiling zich naar elders, en neemt zelfs toe als de productie minder milieu-efficiënt plaatsvindt dan in ons land.