Een pleidooi voor Industriebeleid met hoofdletter I

Tata Steel in IJmuiden. Kan industriebeleid ervoor zorgen dat de Nederlandse industrie én superschoon én concurrerend wordt? (Bron: Joost J. Bakker, Wikimedia Commons)

Soms werd er wel eens omfloerst over het I-woord gesproken. Het I-woord? Jazeker, met de I van Industriebeleid. Maar dat mocht natuurlijk jarenlang niet hardop gezegd worden. De trauma’s van het RSV-drama, het OGEM-debacle, de twijfelachtige rol van EZ-topambtenaar-‘industriepaus’ Molkenboer, de teloorgang van Fokker en nog zo wat voorbeelden staan nog vers in het geheugen. Ze leidden, in politiek en overheid, tot de conclusie: dat nooit meer! Laat de overheid nooit meer falende bedrijven overeind houden of kansrijke bedrijven of sectoren aanwijzen. De markt moet het doen! Nou ja, behalve natuurlijk als private banken dreigen om te vallen, dan is industriebeleid kennelijk wel geoorloofd, als het maar geen industriebeleid heet. O ja, en behalve als een nieuw politiek speeltje nodig is, het topsectorenbeleid. Maar dat is toch geen industriebeleid?

Typisch Nederlands wel: wat niet mag, mag toch, als je het beestje maar niet bij de naam noemt. Drugs mogen niet, maar coffeeshops tieren welig, en koffie is er niet te koop; in de Tweede Kamer vloeit de alcohol rijkelijk. Recyclebaar afval in de fik steken mag niet, maar ja, de afvalovens moeten wel vol, toch?

Het lijkt me de hoogste tijd dat taboe op het I-woord nu maar eens op te heffen, en vanaf nu weer open en bloot over industriebeleid te gaan spreken. Nee, deze keer niet door omvallende bedrijven te stutten of door ‘government picking the winners’ – dat leidt onvermijdelijk tot ‘losers picking governments’. Industriebeleid moet uit de taboesfeer én moet op een nieuwe leest worden geschoeid.