Tafeltje, dek je: klimaat-gepolder als alternatief voor paardenmiddel

Klimaattafel-tragiek en de onhaalbaarheid van de tweegradendoelstelling

De onderhandelingen over het toekomstige klimaat- en energieakkoord zijn begonnen. Dat gebeurt aan vijf ‘tafels’: gebouwde omgeving, elektriciteitsvoorziening, mobiliteit, industrie, en landbouw & landgebruik. Elk van die tafels kent subtafels, bijzettafels en uitschuiftafels, en er is een overkoepelende tafel, het Klimaatberaad. Rond de zomer moet er een eerste akkoord op hoofdlijnen liggen. De website klimaatakkoord is er in elk geval alvast.

De tragiek is dat een akkoord dat langs deze lijnen ontstaat natuurlijk nooit plannen kan opleveren die de in Parijs afgesproken doelstelling, maximaal 2 graden opwarming, kunnen helpen, terwijl een akkoord dat wél die doelstelling zou kunnen halen nooit aanvaard zou worden.

Waarom dat is laat zich gemakkelijk raden: weinigen realiseren zich de implicaties van de tweegradendoelstelling. Grofweg komen ze hierop neer: de uitstoot van CO2 mag wereldwijd hooguit nog een paar jaar stijgen, en moet dan als een speer naar beneden, zo snel mogelijk naar nul. Alleen dan kan de stijging van de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer tot staan worden gebracht. Bedenk dat deze nog steeds stijgt, en wel versneld. Hoe langer het duurt eer het omslagpunt van stijging naar daling wordt bereikt, des te sneller de uitstoot vervolgens moet dalen. Reken voor het gemak maar even met zo’n 10% daling per jaar.

In de meeste wetenschappelijke scenario’s die de temperatuurstijging tot 2 graden beperkt houden moet al worden aangenomen dat eind deze eeuw via zogeheten negatieve emissies CO2 uit de atmosfeer wordt verwijderd. Of dat gaat werken? In de modellen wel, maar in de werkelijke wereld? Maar die negatieve emissie laten wel zien hoe hoog de nood is.

Een Nederlandse bijdrage die spoort met de tweegradendoelstelling komt er zo niet, maar elke inzet om een overschrijding ervan te beperken is welkom

Requiem voor een M

Ineens was ‘ie verdwenen, de letter M. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu was zomaar zonder dat iemand er erg in had het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geworden. I&W in plaats van I&M. Help, het Milieu is weg! En niemand lijkt te weten waarom. Is het omdat de milieuproblematiek als opgelost wordt beschouwd? Of is het gewoon de uitkomst van Haagse modegolven en sentimenten?

Ik vrees dat laatste. Er zit niet echt een inhoudelijk idee of visie achter het opofferen van de M van Milieu. Afschaffing ervan is de resultante van een politieke ontwikkeling die met het eerste kabinet-Rutte is ingezet. Uiteenlopende opvattingen over verschillende wereldbeelden in politiek en samenleving liggen hieraan ten grondslag. Grofweg heb je aan de ene kant de pinguïns, de Zuidpoolbewoners, die zich dominant laten leiden door de waarde zorg, met daarnaast ook wel eerlijkheid en vrijheid. Aan de andere kant zijn er de Noordpoolbewoners, de ijsberen, die meer evenwichtig op het gehele waardenspectrum leunen. Bovendien geven ijsberen en pinguïns een andere draai aan verschillende waarden.

Tijdens Rutte-I zagen de ‘IJsberen’ hun kans schoon om af te rekenen met een beleidsterrein dat in hun ogen altijd de speeltuin van die vermaledijde Pinguïns was. Wat ooit het grote en trotse departement van VROM was, werd overnight omgebouwd tot departement van VROEM: gas op de plank, 130 km/uur; wat kunnen ons de gevolgen schelen?

Het verdwijnen van de M is voor de gemiddelde IJsbeer een zegen. Die leeft bij de gedachte dat natuur- en milieubeleid de Grote Vooruitgang in de weg staat. Voor de gemiddelde Pinguïn is het een rampzalige ontwikkeling, die haaks staat op het eigen waardenpatroon waarin zorg voor elkaar en zorg voor de aarde centraal staat. Opmerkelijk genoeg is echter in de afgelopen jaren een interessante kruising tussen IJsberen en Pinguïns ontstaan, een nog wat onbestemde diersoort die echter wel succesvol lijkt te gaan worden. De afgelopen gemeenteraadsverkiezingen hebben dat laten zien. Zoals verschillende commentatoren opmerkten: Nederland heeft geen ruk naar rechts gemaakt, maar een ruk naar groen. Er wordt een derde weg gezocht, die de polarisatie tussen IJsberen en Pinguïns overstijgt.

Alleen al voor die stroming moet de M weer terug, namelijk om niet overgeleverd te zijn aan Haagse modegolven die nu eens dit, dan weer dat idee propageren, maar om analyses en concepten te hebben waarmee gestuurd kan worden. Eigenlijk kan dat gewoon met behulp van de klassieke milieukunde, zeg maar 1.0. Die laat zien dat hoe uiteenlopende fysische, chemische en biologische ‘drukfactoren’, afkomstig van verschillende doelgroepen, uiteindelijk de gezondheid van mensen, planten, dieren en ecosystemen in gevaar brengen. En daarmee de economie ook frustreren. Sturen op die kennis gebeurt dus ook niet meer. Departement 1 stuurt op aardgasvrije wijken, departement 2 op circulaire economie, departement 3 op duurzame mobiliteit, departement 4 op natuurlijk kapitaal, departement 5 op de energietransitie, departement 6 op…, enfin, u voelt wel: er ligt geen, in elk geval geen gezamenlijke analyse en geen conceptueel idee aan de uiteenlopende interventies ten grondslag.

Zo moeilijk hoeft het niet te zijn. Net zoals er één departement is dat de geldstromen en de budgetten bewaakt, kan er één departement zijn dat de drukfactoren en hun invloed op de kwaliteit van mens, plant, dier en ecosystemen bewaakt. Milieukunde 1.0. Laat de milieukundigen die nog op het uitgeklede departement van I&W werken (ik krijg het haast niet uit mijn pen…) deze kabinetsperiode benutten om de M in een volgend kabinet terug te brengen. Is het niet voor de volgende generaties, dan toch in elk geval voor de IJsberen, de Pinguïns en de onbestemde nieuwe diersoort die zich dwars door de oude politieke scheidslijnen heen in toenemende mate zorgen maakt over de toekomst van zijn leefomgeving en de leefbaarheid van de planeet.

Jan Paul van Soest

Jan Paul van Soest is partner van De Gemeynt, kwartiermakers voor een duurzame economie, adviseurs, ondernemers en spraakmakers. De column verwijst naar een essay van zijn hand, getiteld ‘IJsberen en Pinguïns op de Evenaar’.

Column verscheen eerder op het Intranet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en tijdschrift Milieu.

 

 

 

Reptielenbrein maakt energiebeleid op 1 a4tje

Bron: Wikimedia Commons

Om het energiebeleid van de nieuwe president van de Verenigde Staten, Donald Trump, te kunnen duiden, moeten we de psychologie, of beter nog de psychiatrie induiken. Wat kunnen we doen?

Trump’s eerste daden waren in lijn met wat hij tijdens de campagne riep.

Hij publiceerde zijn America First Energy Plan. Nou ja, plan – één enkel retorisch A4tje, maar wel een A4tje waarin hij een streep zet door de energie- en klimaatplannen van Obama, en volop inzet op binnenlandse energiebronnen (schalie)gas en kolen. Waar de vorige president inzette op een dalende emissietrend gaat Trump zijn best doen om de emissies weer te laten stijgen. Verschillende lidstaten, waaronder grote als Californië, hebben overigens al laten weten gewoon met hun klimaatbeleid door te gaan.

Maar Trump dendert door. Op het moment van zijn inauguratie verdween zo ongeveer alles wat met klimaat te maken heeft van de relevante websites, zoals die van de Environmental Protection Agency (EPA) en van het Department of Energy (DoE). Bezuinigingen treffen het VS-klimaatonderzoek hard. Klimaatwetenschappers hebben inmiddels veel data op buitenlandse servers ondergebracht. 

Biobrandstoffen: vol gas ’n doodlopende weg in

De productie van biobrandstoffen beïnvloedt verschillende Sustainable Development Goals. De afwegingen zijn onvoldoende gemaakt. Bron: Wikimedia Commons.

Snapt u precies wat we aan het doen zijn als u de recente brief over biobrandstoffen van staatssecretaris Dijksma aan de Tweede Kamer leest. Ik beken: ik heb er moeite mee, terwijl ik me nota bene recent stevig in de materie heb verdiept, om samen met Prem Bindraban en mijn Gemeynt-collega’s Steven de Bie en Hans Warmenhoven het advies van de MER-Commissie over biobrandstoffen te kunnen schrijven. Dat is als bijlage bij de Kamerbrief meegestuurd.

Ook met die achtergrond is zo’n Kamerbrief nog een hele kluif. Het gaat over biobrandstoffen, conventionele en geavanceerde, over ILUC (Indirect Land Use Change), CO2-doelen en hernieuwbare energiedoelen, de impacts op ontwikkelingslanden in relatie tot de coherentiedoelen van Buitenlandse Zaken, bijmengpercentages en de wenselijkheid van boven- en ondergrenzen daarvoor, terwijl sommige hoeveelheden dubbel mogen worden geteld en andere weer niet, en dit alles gedeeld door de kans op fraude met afgewerkt frituurvet. Zoiets. 

De opeenstapeling van regelingen en uitzonderingen geeft de illusie dat we goed weten wat we doen, en dat we sturen: heldere doelen en passende maatregelen, jawel.

Maar de realiteit is niet onder controle.

De biobrandstoffenbrief laat opnieuw zien dat bij meervoudige doelstellingen, in dit geval én CO2-reductie én aandeel hernieuwbare energie, gericht sturen erg moeilijk is. De doelstellingen zitten elkaar in de weg. In abstracto lijkt dat niet zo, maar in de praktijk botsen ze. Dan zijn kunstgrepen nodig om het onverenigbare in de praktijk toch te verenigen. Zoals het artificiële onderscheid tussen ‘conventionele’ en ‘geavanceerde’ biobrandstoffen. Dergelijke kunstgrepen brengen weer nieuwe ellende en discussies met zich mee, zoals definitiekwesties en een groeiende behoefte aan controle en handhaving. De relatie met de oorspronkelijke doelstellingen verdwijnt. Sommige biobrandstoffen die ‘conventioneel’ zouden moeten heten bijvoorbeeld reduceren meer CO2 dan enkele ‘geavanceerde’. En ruimtebeslag is er altijd; landbouwgewassen bedreigen de voedselproductie niet per se meer dan niet-landbouwgewassen. Dan is er dus een aanvullende regel nodig corrigeert of die uitzonderingen mogelijk maakt.

Klimaatbeleid gegijzeld door Europese emissiehandel

Het klimaatbeleid wordt gegijzeld door het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Daardoor nemen we in eigen land dure maatregelen in allerlei sectoren, maar blijven goedkope maatregelen in ETS-sectoren liggen. De remedie: voer klimaatbeleid alsof er geen ETS is.

Het was een klein wonder toen het Europese emissiehandelssysteem (ETS) voor de industrie in 2005 van start ging. Met het systeem werd immers een plafond (quotum) gecreëerd voor industriële emissies, en de resulterende CO2-prijs zou de industrie ertoe aanzetten kosteneffectieve maatregelen te nemen – een droom van een instrument, niet?

Helaas blijkt de droom niet uit te komen. De prijs van emissierechten is veel te laag en er is een dermate groot overschot aan rechten in de markt dat niemand verwacht dat die prijs de komende 15 jaar naar een niveau oploopt waardoor er wel een stimulans ontstaat om te investeren. Hoe dat komt is hier eigenlijk niet zo interessant, wat belangrijker is: wat te doen? De huidige situatie leidt namelijk tot vreemde effecten zoals het sluiten van een aantal zeer efficiënte gascentrales terwijl kolencentrales die twee keer meer CO2 uitstoten blijven doordraaien zonder de beloofde CO2-afvang en opslag (CCS).