In de weide

Het afgelopen jaar ben ik me als vrijwilliger gaan bezighouden met activiteiten voor basisschoolkinderen in de natuur. De oude liefde voor mijn vak bloeit weer op. Ik was immers lang geleden onderwijzeres.

Natuur en milieueducatie. De betaalde instellingen zijn in de vorige decennia wegbezuinigd door de overheid. Toen ik nog op het departement van OCenW werkte waren er nog collega’s die zich intensief en met kennis van zaken hard maakten voor natuur- en milieueducatie. Het is een onderschoven kindje geworden en ‘weggeschreven’ binnen de kerndoelen en lesmethodes. Leerkrachten worden verondersteld dat nu zelf te doen. De druk op het onderwijs en wat er in de klas moet gebeuren is echter gigantisch. Fijn om te merken dat door enthousiaste en veelal gepensioneerde, gepassioneerde liefhebbers van de natuur het belang van deze educatie ingezien wordt en vrijwillig (=onbetaald) in stand gehouden.

Kinderen mee naar buiten de natuur in en laten beleven wat er allemaal te zien is en waarom de natuur zo waardevol en o zo kwetsbaar is, daar komen de leerkrachten zelf niet aan toe. De verwondering, het enthousiasme, het kijken, voelen, ruiken, horen, proeven dat is waar het bij het werk als schoolgids van IVN om draait.

Het is nu lente en natuurlijk gaan we dan op pad om de kinderen dat te laten ervaren. Het verzoek van de leerkracht was om een les met het onderwerp ‘ in de weide’ te doen.

We hadden diverse onderdelen uit het hoofdstuk van de nieuwe lesmethode van de school gepakt om buiten met de kinderen mee aan de slag te gaan. Opgezette weidevogels, fietsbanden om daarbinnen het aantal plantensoorten te tellen op diverse plekken (monocultuur en kruidenrijk grasland).

Een (meegebrachte) narcis uit elkaar pluizen en alle onderdelen bekijken met steelloepjes. De scharnierende meeldraden, waarom zou dat zijn? De zaden verstopt in die dikke ‘knobbel’ onder de bloem. De holle stengel, he bij de tulp is dat niet zo….

Nadat alle onderdelen bewonderd zijn en met elkaar gedeeld, zegt een van de meisjes:” Wat is dat eigenlijk mooi en knap gemaakt en wat jammer eigenlijk dat je dat dan zomaar in een vaas zet en weggooit.”

Kijk dat is nou precies waarom ik zoveel plezier aan dit werk beleef, dat zaadje planten in de volgende generatie, bewustwording van de wonderlijke wereld van de natuur en dat je niet zomaar alles wat daarin voorkomt kan vernietigen.

Barbara Wevers

Officemanager De Gemeynt Coöperatie, en als vrijwillige ‘ schoolgids’ actief bij IVN-Apeldoorn.

Reptielenbrein maakt energiebeleid op 1 a4tje

Bron: Wikimedia Commons

Om het energiebeleid van de nieuwe president van de Verenigde Staten, Donald Trump, te kunnen duiden, moeten we de psychologie, of beter nog de psychiatrie induiken. Wat kunnen we doen?

Trump’s eerste daden waren in lijn met wat hij tijdens de campagne riep.

Hij publiceerde zijn America First Energy Plan. Nou ja, plan – één enkel retorisch A4tje, maar wel een A4tje waarin hij een streep zet door de energie- en klimaatplannen van Obama, en volop inzet op binnenlandse energiebronnen (schalie)gas en kolen. Waar de vorige president inzette op een dalende emissietrend gaat Trump zijn best doen om de emissies weer te laten stijgen. Verschillende lidstaten, waaronder grote als Californië, hebben overigens al laten weten gewoon met hun klimaatbeleid door te gaan.

Maar Trump dendert door. Op het moment van zijn inauguratie verdween zo ongeveer alles wat met klimaat te maken heeft van de relevante websites, zoals die van de Environmental Protection Agency (EPA) en van het Department of Energy (DoE). Bezuinigingen treffen het VS-klimaatonderzoek hard. Klimaatwetenschappers hebben inmiddels veel data op buitenlandse servers ondergebracht. 

Succes Trump verstoort illusie van een succesvol klimaatbeleid

trump-climate-change

De verkiezing van Donald Trump als nieuwe president van de Verenigde Staten schokte de wereld. Hij is een evidente narcist met nog een reeks karaktereigenschappen die zijn presidentschap bepaald gevaarlijk maken.
Hoe kon een figuur als Trump in hemelsnaam president worden? En wat betekent dat voor klimaat- en energiebeleid?


Zeker, het kiesstelsel in de VS waarin iemand met een minderheid van stemmen toch in het ambt verkozen kan worden speelt een rol. Maar er is meer. Onder invloed van het (neo)liberalisme is in veel westerse landen het maatschappelijk cement dat samenlevingen bij elkaar houdt weggebikt. There is no such thing as society, vond Margaret Thatcher. In het – zeker in de VS – invloedrijke denken van Ayn Rand is het nastreven van het eigenbelang en eigen geluk het hoogste doel. In lijn met dat denken zijn de baten van de samenleving geprivatiseerd, terwijl de kosten zijn afgewenteld op de gemeenschap en de toekomst. Moderne roofridders als Bill Gates worden op het schild gehesen omdat ze met hun fondsen zoveel goeds voor de wereld doen, maar de essentie is dat besluiten over wat collectieve goederen zijn nu ook geprivatiseerd zijn. De Bill and Melinda Gates Foundation is het wrange succes van het Ayn Rand-kapitalisme: inhalige nemers die zich als gulle gevers voordoen, terwijl de helft van Amerika een berooid ontwikkelingsland is.
En er is niet te vergeten het fenomeen van de ontkenning, aan alle zijden van het politieke spectrum. De Republikeinen, sterk onder invloed van de Tea Party-beweging die met hulp van oliegeld van met name de gebroeders Koch (Koch Industries) groot is geworden, zijn weggedreven van de wetenschap, vooral wetenschap die op gespannen voet staat met hun ideologische standpunten. Zoals de klimaatwetenschap.

Een pleidooi voor Industriebeleid met hoofdletter I

Tata Steel in IJmuiden. Kan industriebeleid ervoor zorgen dat de Nederlandse industrie én superschoon én concurrerend wordt? (Bron: Joost J. Bakker, Wikimedia Commons)

Soms werd er wel eens omfloerst over het I-woord gesproken. Het I-woord? Jazeker, met de I van Industriebeleid. Maar dat mocht natuurlijk jarenlang niet hardop gezegd worden. De trauma’s van het RSV-drama, het OGEM-debacle, de twijfelachtige rol van EZ-topambtenaar-‘industriepaus’ Molkenboer, de teloorgang van Fokker en nog zo wat voorbeelden staan nog vers in het geheugen. Ze leidden, in politiek en overheid, tot de conclusie: dat nooit meer! Laat de overheid nooit meer falende bedrijven overeind houden of kansrijke bedrijven of sectoren aanwijzen. De markt moet het doen! Nou ja, behalve natuurlijk als private banken dreigen om te vallen, dan is industriebeleid kennelijk wel geoorloofd, als het maar geen industriebeleid heet. O ja, en behalve als een nieuw politiek speeltje nodig is, het topsectorenbeleid. Maar dat is toch geen industriebeleid?

Typisch Nederlands wel: wat niet mag, mag toch, als je het beestje maar niet bij de naam noemt. Drugs mogen niet, maar coffeeshops tieren welig, en koffie is er niet te koop; in de Tweede Kamer vloeit de alcohol rijkelijk. Recyclebaar afval in de fik steken mag niet, maar ja, de afvalovens moeten wel vol, toch?

Het lijkt me de hoogste tijd dat taboe op het I-woord nu maar eens op te heffen, en vanaf nu weer open en bloot over industriebeleid te gaan spreken. Nee, deze keer niet door omvallende bedrijven te stutten of door ‘government picking the winners’ – dat leidt onvermijdelijk tot ‘losers picking governments’. Industriebeleid moet uit de taboesfeer én moet op een nieuwe leest worden geschoeid.

Biobrandstoffen: vol gas ’n doodlopende weg in

De productie van biobrandstoffen beïnvloedt verschillende Sustainable Development Goals. De afwegingen zijn onvoldoende gemaakt. Bron: Wikimedia Commons.

Snapt u precies wat we aan het doen zijn als u de recente brief over biobrandstoffen van staatssecretaris Dijksma aan de Tweede Kamer leest. Ik beken: ik heb er moeite mee, terwijl ik me nota bene recent stevig in de materie heb verdiept, om samen met Prem Bindraban en mijn Gemeynt-collega’s Steven de Bie en Hans Warmenhoven het advies van de MER-Commissie over biobrandstoffen te kunnen schrijven. Dat is als bijlage bij de Kamerbrief meegestuurd.

Ook met die achtergrond is zo’n Kamerbrief nog een hele kluif. Het gaat over biobrandstoffen, conventionele en geavanceerde, over ILUC (Indirect Land Use Change), CO2-doelen en hernieuwbare energiedoelen, de impacts op ontwikkelingslanden in relatie tot de coherentiedoelen van Buitenlandse Zaken, bijmengpercentages en de wenselijkheid van boven- en ondergrenzen daarvoor, terwijl sommige hoeveelheden dubbel mogen worden geteld en andere weer niet, en dit alles gedeeld door de kans op fraude met afgewerkt frituurvet. Zoiets. 

De opeenstapeling van regelingen en uitzonderingen geeft de illusie dat we goed weten wat we doen, en dat we sturen: heldere doelen en passende maatregelen, jawel.

Maar de realiteit is niet onder controle.

De biobrandstoffenbrief laat opnieuw zien dat bij meervoudige doelstellingen, in dit geval én CO2-reductie én aandeel hernieuwbare energie, gericht sturen erg moeilijk is. De doelstellingen zitten elkaar in de weg. In abstracto lijkt dat niet zo, maar in de praktijk botsen ze. Dan zijn kunstgrepen nodig om het onverenigbare in de praktijk toch te verenigen. Zoals het artificiële onderscheid tussen ‘conventionele’ en ‘geavanceerde’ biobrandstoffen. Dergelijke kunstgrepen brengen weer nieuwe ellende en discussies met zich mee, zoals definitiekwesties en een groeiende behoefte aan controle en handhaving. De relatie met de oorspronkelijke doelstellingen verdwijnt. Sommige biobrandstoffen die ‘conventioneel’ zouden moeten heten bijvoorbeeld reduceren meer CO2 dan enkele ‘geavanceerde’. En ruimtebeslag is er altijd; landbouwgewassen bedreigen de voedselproductie niet per se meer dan niet-landbouwgewassen. Dan is er dus een aanvullende regel nodig corrigeert of die uitzonderingen mogelijk maakt.