Twijfelbrigade 2.0: gekleurde klimaat-brillen nopen niet tot actie

Het Parijse klimaatakkoord als één groot feest van implicatieve ontkenning: een zeer scherpe doelstelling, maar niemand die ernaar handelt 

De geleerde professor Sickbock vindt in het Olivier B. Bommel-verhaal ‘De Zonnige Kijk’ bij toeval een roze bril uit. Wie daardoor kijkt, ziet de situatie buitengewoon positief. De realiteit kleurt roze, de zorgen verdwijnen. Tijdens mijn inleiding ‘Twijfelbrigade 2.0′ op de negende editie van het Springtij Forum eind september op Terschelling, heb ik die roze bril even opgezet. Dat was nog voor het SR1.5-rapport van het IPCC, waarin wordt uitgerekend dat we de opwarming nog nét binnen de 1,5 graden kunnen houden. Het vergt wel wat: netto-CO2-verwijdering uit de atmosfeer, al over twintig, dertig jaar of zo, CCS, kernenergie, een ongekende verbetering van de energie-efficiency en zo verder.

Het is vijf seconden voor twaalf, is de strekking van het IPCC-rapport, maar om twee seconden voor twaalf verschijnen James Bond en Batman tezamen, en om een seconde voor twaalf is de wereld toch nog gered. Iedereen rijdt elektrisch, heeft zonnecellen op dak en auto, wouden aan windturbines wekken subsidieloos schone stroom op, Rusland, de VS, Nigeria, Venezuela en tal van andere landen laten hun fossiele voorraden in de grond zitten, de tientallen bestellingen bij Boeing en Airbus worden afgeblazen, op een koude winteravond – die zijn er dankzij ons doeltreffende handelen dan nog – gooit oom Karel een handvol waterstofkorrels in de open haard, die lustig knispert, en de raceauto van Max Verstappen heeft een snelheidsbegrenzer gekregen.

Mij inspireert de roze bril niet. Dat komt doordat de wet van de creatieve spanning wordt overtreden. Die zegt dat doeltreffende actie alleen ontstaat als de afstand tussen de realiteit, die eerlijk en open onder ogen moet worden gezien, en de visie, de te realiseren situatie, hanteerbaar is. Ons menselijk brein hanteert verschillende tactieken om met een onhanteerbaar groot verschil tussen visie en realiteit om te gaan. De roze bril is zo’n tactiek: de werkelijkheid bijkleuren omdat deze in het volle daglicht moeilijk te verdragen is. Het valt wel mee, er gebeurt zo veel, iedereen heeft toch het Parijs-akkoord ondertekend, kijk eens hoe snel de kosten van zonne-energie dalen, en zelfs Trump erkent nu toch dat het opwarmt?

De grootste ontkenning, links en rechts, is wel die van de trade-off tussen het klimaatdoel en de groei van het BBP

Een tweede tactiek is de visie en ambities naar beneden bijstellen. Laten we realistisch zijn, transitie ok, maar het mag niet te veel kosten, Nederland moet niet vooroplopen, en met adaptatie komen we ook wel een eind. De Twijfelbrigade 1.0 ontkent letterlijk dat het klimaat verandert en/of dat de verandering door de mens komt, alle bewijzen ten spijt. Onder meer PVV, Forum voor Democratie en Elseviers Weekblad zitten nog middenin dat stadium, en verspreiden met regelmaat baarlijke nonsens over het klimaat. Maar grosso modo zijn we langzamerhand in het stadium van de interpretatieve en vooral implicatieve ontkenning beland, oftewel: selectief winkelen in de kennis, respectievelijk de gevolgen van de situatie niet kunnen of willen zien.

Het Parijse klimaatakkoord was één groot feest van implicatieve ontkenning: een zeer scherpe doelstelling, maar niemand die ernaar handelt. Dat geldt voor alle landen, en alle kanten van het politieke spectrum. ‘Rechts’ schrapt maatregelen die ze aan die kant als te duur en/of niet populair beschouwen, zoals rekening rijden, ‘links’ blokkeert maatregelen die daar als ‘fossiele lock-in en/of niet populair worden beschouwd, zoals CCS. Wie geen passende maatregelen accepteert neemt in wezen het doel niet au sérieux.

De grootste ontkenning, links en rechts, is wel die van de trade-off tussen het klimaatdoel en de groei van het BBP. Kijk, de oude formule I=P*A*T geldt nog steeds: de impact (hier emissies) is een functie van de bevolkingsomvang (Populatie, P), de welvaart (Affluence, A, BBP), en de technologie (T). Op technologie wordt veel winst geboekt, maar de verbeteringen van de factor T (emissies per eenheid energie) worden continue opgevreten door groeiende volumina goederen en diensten, oftewel A, die geconsumeerd worden door een groeiende populatie P. Maar die zijn onbespreekbaar. Roze brillen, ongefundeerd optimisme – ik word er droef van. Maar ook van donkere brillen: cynisch realisme en bij de pakken neerzitten. Geen van beide zet me aan tot actie.

Maar waar moeten we het dan van hebben? De ‘derde weg’ die mij in elk geval houvast biedt is die van de hoop. De motivatie om te handelen wordt dan niet ontleend aan de werkelijkheid die al dan niet gekleurd, roze of juist zwart, wordt waargenomen, maar aan de juistheid van de zaak (‘the good cause’) en de persoonlijke, morele erkenning daarvan. Hoop zoals Vaclav Havel bedoelde toen hij schreef: “Hoop is een kwaliteit van de ziel, en is niet afhankelijk van wat er in de wereld gebeurt (…) Hoop is niet hetzelfde als optimisme. Evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen. Wel de zekerheid dat iets zinvol is, ongeacht de afloop, het resultaat”.

Jan Paul van Soest is partner bij De Gemeynt, samenwerkingsverband van adviseurs, denkers en entrepreneurs, zie www.gemeynt.nl

Eerder gepubliceerd op www.energiepodium.nl, 30 oktober 2018

Zeven energie- en klimaatzorgen

Jan Paul van Soest over zijn zorgen bij de ombouw van een energiesysteem dat in tientallen jaren is verfijnd en geoptimaliseerd, maar dat ook best vast zit.

Mag ik wat zorgen met u delen? Ook als ik daarvoor geen oplossingen weet? Ik nodig u wel graag uit uw antwoorden te geven, en uiteraard is ook bij mij het denkwerk in volle gang. De zorgen betreffen de ombouw van een complex energiesysteem dat in tientallen jaren is verfijnd en geoptimaliseerd, en waarin een vele professionele en kapitaalkrachtige spelers hun rollen en niches hebben gevonden. Logischerwijs zit dat best vast. Dat het anders moet staat buiten kijf. Doorgaan op deze weg brengt een zeer risicovolle klimaatverandering met zich mee, door de broeikasgassen die aan het energiesysteem ontsnappen. Er zijn ook andere zorgelijke impacts, zoals de aardbevingen bij de Groningse gaswinning, maar ik concentreer me hier op klimaat.

Dat is meteen mijn eerste zorg: er zijn veel verschillende motieven voor verandering in omloop, variërend van ‘mijn’ klimaatmotief tot motieven als energie-onafhankelijkheid, kleinschaligheid of de wens het kapitalistische systeem omver te werpen. Hoe krijgen we daar meer eenduidigheid in? Of als er geen eenduidigheid te creëren is, hoe kunnen we gegeven de diversiteit van verandermotieven toch effectief het klimaatprobleem aanpakken?

Mijn tweede zorg betreft het nieuwe energiesysteem. Ook dat heeft impacts, al worden die liefst niet benadrukt. Maar naarmate het nieuwe energiesysteem met een toenemend aandeel hernieuwbare bronnen zich verder ontwikkelt worden die steeds zichtbaarder. Ruimtelijke impact, aantasting van biodiversiteit (met name bij biomassa-inzet een groot risico), grondstoffenschaarste, en zo zijn er meer. Kunnen we die impacts beter in kaart brengen en in bespreking brengen voor ze zich zodanig aandienen dat ze het draagvlak voor de energietransitie ondermijnen? Dat proces is al gaande, vrees ik.

De redenering ‘het klimaat gaat naar de haaien dus moet Nederland vergaand zijn emissies reduceren’ klopt wel, maar gaat tegelijk een wezenlijk dilemma uit de weg

Afvang en opslag van CO2: pleidooi voor een verguisde optie

Accepteer CCS als wezenlijk onderdeel van een tweegraden-pakket

Het permanente gesteggel over welke opties in het energie- en klimaatbeleid het meest gewenst zijn, en welke juist absoluut niet, verlamt het debat en belemmert dat effectieve maatregelen worden getroffen. Ik geloof dat een welles-nietes over individuele opties, of dat nou technologieën of gedragskeuzes of levensstijlen zijn, ons geen steek verder brengt.

Een uitspraak ‘leve wind op zee’ bevordert de totstandkoming van wind op zee geenszins. Een spandoek ‘hoera voor kernenergie’ zal geen investeerder over de streep trekken. Een publieke afkeuring van bijstook van biomassa weerhoudt niemand van uitvoering van zijn plan als dat lucratief is. Een oproep tot een klimaatvriendelijke levensstijl wordt op zijn best met enige instemming gelezen, mogelijk in het vliegtuig op weg naar de Maladiven.

Soms is het in het maatschappelijke en politieke debat helaas onvermijdelijk om toch even op een bepaalde technologie of familie van technologieën in te gaan. Dat is dan niet met de intentie die optie te pluggen, maar om te bezien welke structurele maatregelen nodig zijn om in elk geval de mogelijkheid te creëren dat een op langere termijn vermoedelijk benodigde optie zich ook echt kan ontwikkelen.

De ellende is dat zo’n genuanceerd en op beleidsmaatregelen gericht betoog in het huidige maatschappelijke debat, waarin de opties in plaats van de maatregelen centraal staan, gemakkelijk wordt misverstaan. Gezien door de lens van het welles-nietes-debat over welke technologieën we het liefste hebben dan wel het meest verafschuwen wordt elke bijdrage gemakkelijk als een welles- of nietes-inbreng gezien.

Talloze studies tonen aan dat de doelstelling maximaal twee graden opwarming onhaalbaar is als er geen CCS in de mix zit

Keizer Klimaatbeleid heeft geen kleren aan

De aandacht voor klimaatverandering en -beleid is op zichzelf goed nieuws: de gevolgen van opwarming met meer dan twee graden Celsius zijn een gegronde reden die opwarming beperkt te houden, zoals in 2015 in het klimaatakkoord van Parijs is afgesproken. Maar schijn bedriegt: de wereldwijde uitstoot van CO2 is na een paar jaar stabilisatie vorig jaar weer met 2 procent gestegen.
 
Jan Paul van Soest
 
Nederland doet het niet veel beter; vorig jaar daalde de uitstoot maar een klein beetje en na eerdere stijging. In de grafieken die de ontwikkeling van de concentratie van broeikasgassen laten zien is er geen enkel effect van de jaarlijkse klimaat-topconferenties te bespeuren.
Deze constatering staat haaks op het beeld dat regeringen, gemeente- en provinciebesturen, maatschappelijke organisaties en bedrijven oproepen door elkaar in doelstellingen te overbieden: halvering van de uitstoot in 2030! Energieneutraal in 2035! Klimaatneutraal in 2040! Volledig duurzaam in 2050! Er wordt beleid gemaakt dat het een aard heeft. Er is een veelheid van plannen en maatregelen, die gericht zijn op een grote verscheidenheid van subdoelen en opties.

En toch daalt de CO2-uitstoot niet of nauwelijks. Hoe kan dat? Drie wetmatigheden kunnen een verklaring leveren.

1

It’s the system, stupid De energievoorziening is een samenhangend systeem, dat in de loop van vele tientallen jaren is ontwikkeld en verfijnd. Fossiele brandstoffen zijn door hun grote voordelen de motor van de economie geworden: de winning is goedkoop, en het gebruiksgemak van met name gasvormige en vloeibare brandstoffen is onovertroffen. De energiedichtheid is hoog, en transport per pijp, schip of over de weg kost weinig. Ze zijn ook goedkoop en gemakkelijk als grondstof beschikbaar.

Minpunt: de laatste tientallen jaren zijn de negatieve effecten van fossiele brandstoffen steeds meer zichtbaar geworden: klimaatverandering door verbranding van fossiele brandstoffen, en aardbevingen bij gaswinning. Maar de fossiele brandstoffen staan nog stevig. In Nederland is nog bijna 94 procent van de energievoorziening fossiel.

Met deze verhoudingen bepalen ongetemde internationale markten voor fossiele brandstoffen, geopolitieke doelen en grote bedrijfsbelangen de koers van de energievoorziening. Een kleine prijsschommeling op de brandstoffenmarkten heeft een veel groter effect op het energie- en grondstoffengebruik dan de subsidies die het nu bescheiden aandeel duurzame energie moeten opkrikken. De les is: duurzame energie in een systeem duwen dat door fossiele brandstoffen wordt gedomineerd verandert de werking van dat systeem nauwelijks.

2

Jan Tinbergen heeft gelijk. Voor elke doelstelling is ten minste één specifiek daarop gericht instrument nodig. De Nederlandse econoom en Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen formuleerde deze regel toen hij vanaf 1945 de eerste econometrische modellen ontwikkelde. Hoewel het doel is dat de CO2-uitstoot naar beneden moet, zijn de instrumenten, zoals subsidies, regelgeving, normen en fiscale maatregelen, gericht op meer windmolens en zonnecellen, meer elektrische auto’s of andere doelen.

Die doelen komen ook naderbij: er komen meer zonnecellen en windmolen, en elektrische auto’s. Alleen: de gemiddelde temperatuur op aarde trekt zich er niets van het aantal zonnepanelen en windturbines dat staat opgesteld, of van het aantal elektrische auto’s dat rondrijdt. Slechts de concentratie van broeikasgassen telt, en die stijging kan slechts een halt worden toegeroepen door dáárop te sturen: beloon de reductie van CO2, bestraf de uitstoot ervan. Jan Tinbergen wist het al.

3

In de polder is effectief klimaatbeleid onhaalbaar. Minister Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) heeft alle belanghebbenden aan ‘klimaattafels’ genood om akkoorden te sluiten. Dat is zoiets als alle boerderijdieren vragen het kerstmenu te bedenken. Dat wordt dan vlees noch vis.

Producenten en consumenten kunnen het spel allemaal nog wel ietsje groener spelen, maar om onder de twee graden opwarming te blijven zijn groenere spelregels onontbeerlijk. Alleen overheden kunnen, namens allen, die spelregels veranderen. Als de polderpartijen het met de huidige spelregels moeten doen, kan het resultaat nooit afdoende zijn. De ‘poldertafels’ kunnen hooguit tot nieuwe spelregels oproepen, de overheid zal ze moeten vaststellen.

Het negeren van deze drie hoofdwetten – het gebeurt niet alleen in Nederland, maar overal ter wereld – leidt tot ambitieuze doelstellingen in klimaatwetten, hoofdlijnakkoorden en plannen, en tot een boel bestuurlijke drukte, wat de indruk wekt dat er grote vooruitgang wordt geboekt. Maar Koning Klimaat blijkt naakt.

Alle plannen en akkoorden zijn machteloos zolang er op de verkeerde grootheden wordt gestuurd, onvoldoende rekening wordt gehouden met het bestaande systeem, en er geen of alleen heel zwakke instrumenten zijn die het hoofddoel naderbij brengen: minder broeikasgassen, en rap een beetje. In dit licht hoeft het niet te verbazen dat ondanks alle mooie woorden de CO2-concentratie in de atmosfeer vorig jaar zelfs sneller gestegen is dan in de hele meetperiode sinds 1957 het geval is geweest.

Jan Paul van Soest is partner bij De Gemeynt, duurzame denkers, adviseurs en entrepreneurs.

Artikel eerder geplaatst in NRC (6 juli 2018)

Taboes, dogma’s en mantra’s in de energietransitie

Wie kanttekeningen plaatst bij ‘duurzame energie moet’ wordt meteen geframed als transitieremmer

Hoe het exact aan de klimaattafels toegaat weet ik niet, maar het publieke debat eromheen baart me wel zorgen. Ik hoor daarin veel taboes, dogma’s en mantra’s die bedoeld zijn om de transitie te versnellen (op zich al een jeukwoord), maar die ‘m vermoedelijk zullen vertragen.  

Laat ik er een paar noemen.  

Er zijn bijna geen wetenschappelijke scenario’s te vinden die de opwarming tot 2 graden kunnen beperken zonder inzet van CCS, CO2-afvang en -opslag. Er zijn (met name industriële) sectoren die ook niet of nauwelijks alternatieven hebben in de vorm van verregaande energiebesparing en/of elektrificatie gebruik makend van duurzame bronnen. Sterker: in de meeste modelexercities moeten deze eeuw zogeheten negatieve emissies worden gerealiseerd om twee graden nog in beeld te houden. Dat betekent verwijdering van CO2 uit de atmosfeer, bijvoorbeeld en onder meer door ondergrondse opslag.  

In onder ons-gesprekken weet de milieubeweging heel goed hoe de vlag erbij hangt. Maar in het publieke debat wordt telkens stelling genomen tegen CCS, waarbij motivated reasoning hoogtij viert: de conclusie staat vast (geen CCS!), de argumenten worden er vervolgens bij gezocht. De consequentie is dat we tegen de tijd dat zelfs een blind paard ziet dat CCS onvermijdelijk is, we te laat zijn om deze optie ten volle in te zetten.  

Over de hachelijk-eenzijdige focus op elektronen, terwijl we voor energie en vooral voor grondstoffen veel moleculen nodig zullen blijven houden, schreef ik al een vorige column.  

Zorgelijk is ook de onuitgesproken aanname dat duurzame energiebronnen geen impacts hebben. In de modellen zijn misschien wel eindeloze hoeveelheden windmolens en zonnecellen neer te zetten en blijft de impact beperkt tot een kil getal x of y hectare. Maar al die hectares worden, nu ook al, gebruikt voor economische activiteiten zoals landbouw, industrie, of mobiliteit, er wonen mensen, en niet in de laatste plaats ook planten en dieren. Er is altijd een impact, en die moet afgewogen worden tegen alternatieve benutting van diezelfde ruimte en tegen de impacts van de tot nu bekende energievormen.

Waag het niet erop te wijzen dat de instrumenten om de doelen te halen geheel ontbreken