VCA workshop 7 april 2016

NG_DSC4156VCA conferentie72dpi

Ecosystem Management

I was invited by CEM-members Steven de Bie and Frank Vorhies to make a keynote speech at a workshop in The Hague on the VCA initiative. VCA stands for Verified Conservation Areas http://v-c-a.org/. It is a bottom-up approach for land-and water area owners that may get an official recognition for their work in case they effectivvcaely manage their land so that ecosystems can be restored and/or their functioning is strengthened. The first VCA’s have been registered, and the hope and expectation is that it will be the beginning of a worldwide network of such areas (mostly but not necessarily owned by companies and/or private persons), thereby creating a momentum for a new movement in areabased effective ecosystem management on the ground. 

Piet Wit, Chair of CEM

IUCNCEM Chair flash report january-april 2016 , see http://www.iucn.org/about/union/commissions/cem/cem_about/cem_chair_updates/

 

De natuur als kind van de energierekening?

 Discussie 1

© Jan Paul van Soest

© Jan Paul van Soest

Verschillende mensen vroegen me of ik het nou echt meende, mijn kritische opmerkingen over het zonnepark op Ameland, in mijn Energiepodium-column van maart. Ja, ik meen het. Ik vind het niet verdedigbaar dat een weiland waar kieviten en grutto’s broedden wordt ingeruild voor zonnecellen. Nota bene met steun van het Waddenfonds, en terwijl nog honderdduizenden daken onbenut zijn, en zonder adequate compensatie van het biodiversiteitsverlies door de verandering van landgebruik.

Discussie 2

Onlangs ben ik enkele malen aangesproken op windenergie. Dat het zo lastig is geworden wind op land te realiseren, en wat ik ervan vond als windturbines in bosgebieden in plaats van in de bewoonde wereld zouden komen. Dat zou voor de beheerders van de bossen een interessante inkomstenbron kunnen zijn. De natuur moet toch ook zijn eigen ‘verdienmodel’ hebben? Tja, wat heeft onze economie aan de natuur als deze haar eigen broek niet eens kan ophouden? En trouwens: wie in zo’n bos loopt ziet die turbines niet amper, omdat ze door de bomen aan het zicht worden onttrokken.

© Jan Paul van Soest

© Jan Paul van Soest

Win-win voor wind, toch? Of ik daar ’s over wilde gaan nadenken. Dat ben ik gaan doen. Niet alleen over wind in bos, maar ook over zon op wei. En over zonneparken in speciaal daarvoor kaalgekapte stukken bos waar toch niemand komt. En over windturbines in de Waddenzee, plaats genoeg toch?

Vreemd: er woedde destijds een stevige discussie, en terecht, over het gebruik van landbouw- en/of natuurgrond voor de productie van bioenergie, maar omzetten van landbouw- en/of natuurgrond voor de productie van zonne-energie gebeurt zonder enige vorm van reflectie of debat. Enkele van de voorstanders met wie ik naar aanleiding van het Ameland-project in discussie ben geraakt, leggen een zelfde dedain voor de natuur aan de dag als de klassieke projectontwikkelaar die een stuk veenweidegebied bouwrijp wil maken. Het argument is nu: “Zonne-energie is nu eenmaal onvermijdelijk, we hebben gewoon heel veel hectares nodig voor de energietransitie, en niet elk grassprietje heeft natuurwaarde”. Inderdaad zoals ik in mijn column schreef: “Het kost een paar grutto’s, maar dan heb je ook wat”.

Deze twee discussies wijzen erop dat zich een stevig risico aandient: het risico dat ten koste van niks mag gaan, niet ten koste van mensen of de economie, maar wel ten koste van de natuur. De historie doet vermoeden dat het zo zal lopen.  

Milieubeleid stuitte altijd op verzet: want de concurrentiepositie, want de economie, want China, want ja maar, en want och heden. Zure depositie, het ozongat, geëutrofieerde meren ze werden pas aangepakt toen maatregelen in de prijsklasse gratis tot geld toe bleken te vallen.      

Tot voor kort wilde ook niemand aan klimaatbeleid: ja maar en och heden. De conferentie in Parijs eind vorig jaar betekende een doorbraak qua probleemerkenning, maar elke concrete maatregel stuit nog op stevig verzet. Klimaatbeleid moet, maar niet ten koste van de economie. Maar nu blijkt er toch nog ergens een sector te zijn die zijn stem niet verheft: de natuur. Ecosystemen. Biodiversiteit. Plantjes en diertjes. Alles van waarde is weerloos, dus als niemand de rekening van klimaatmaatregelen wil dragen, dan moet de natuur kennelijk maar het kind van de rekening zijn.

Maar waar deden we het allemaal ook alweer voor? Toch ook om ecosystemen en biodiversiteit te beschermen tegen een mate en snelheid van opwarming die de natuur niet bij kan houden? En dan zouden maatregelen wel ten koste van de natuur mogen gaan? Hm, daar wou ik me dan maar eens tegen gaan verzetten.

Jan Paul van Soest, eerder gepubliceerd op 9 mei 2016 op www.energiepodium.nl

Onder druk wordt gas vloeibaar

Gassector moet tonen dat het menens is met energietransitie

We schrijven 1990. Als kersvers directeur van onderzoeksbureau CE Delft moest ik op een energiecongres mijn maidenspeech houden. Ik vertelde onder meer dat uit ons onderzoek bleek dat in het gasnet tot mogelijk tot 10% waterstof zou kunnen worden bijgemengd. Die zou uit hernieuwbare bronnen kunnen worden geproduceerd, en dergelijke oplossingen zouden de overgang naar een duurzame economie verder helpen. Overgang – het woord transitie bestond nog niet. Ik voegde daar in mijn jeugdige onschuld aan toe dat het me denkbaar leek dat Gasunie ergens tussen 2000 en 2010 zijn naam zou veranderen in Waterstofunie.

Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Tegenwoordig moet je iemand van ten minste bestialiteit betichten om in opspraak te komen, destijds was het woord Waterstofunie al genoeg. Na afloop van mijn speech stapte een hoge functionaris van Gasunie op me af en beet me toe: “Mijnheer Van Soest, u hebt de company beledigd!”. Hij draaide zich om en beende weg, mij verbluft achterlatend. Ik had geen idee wat ik had misdaan.

Dat ben ik pas later gaan snappen.

Ik moest recent aan dat voorval terugdenken, nu de maatschappelijke discussie over gas compleet is gekanteld, onder invloed van vooral de schaliegasdiscussie (lees het schitterende boek van Remco de Boer erover), de aardbevingen in Groningen, en de aanzwellende klimaatdiscussie. Het is duidelijk: de toekomst kan niet meer dezelfde kan zijn als het roemrijke verleden.

Zo gaat dat: het is heel lastig een uiteindelijk onvermijdelijke verandering in een vroeg stadium te zien aankomen. We waren in 1990 natuurlijk veel te vroeg met onze studies naar nieuwe economische modellen, klimaatverandering, waterstofbijmenging, verregaande energievraagreductie. Gas was immers dé schone energiebron, comfortabel, betrouwbaar, de kurk waarop de welvaart dreef, inheems – wat wilden we nog meer? En dan nadenken over een Waterstofunie? Logisch dat dit idee als belediging van een trotse bedrijfstak werd ervaren.

Maar de nieuwe realiteiten zijn onmiskenbaar, en de sector is begonnen zichzelf opnieuw uit te vinden: de gaswereld zal zich tot een stuwende kracht van de energietransitie moeten ontwikkelen, en laten zien dat het menens is. Dat betekent ontwikkelen van en investeren in nieuwe businessmodellen die de overgang naar een emissieloze economie versnellen. Of liever breder nog: een nul-impact energiehuishouding. De klimaatverandering staat behoorlijk op de agenda, maar nog lang niet alle consequenties van een tweegradendoelstelling en bijbehorend koolstofbudget worden doorzien en geaccepteerd. Daarnaast zijn er meer factoren die het wel en wee van de planeet en daarmee ook van mensen en economieën bepalen, zoals het onvoorstelbare verlies aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten, de op hol geslagen stikstofcyclus en ook de zwavel- en roetproblematiek zoals Bernice Notenboom in haar film Seablind laat zien.

Niet de minste pionierende bedrijven plaveiden de weg voor de nul-impact-economie: kantoorinrichter Ahrend verkoopt geen stoelen meer maar levert uren comfortabel zitten. Philips levert geen lampen, maar goed verlichte werkplekken. VolkerWessels bouwt niet zomaar huizen meer, maar woonomgevingen die gelukkig maken. En dat alles tegen de laagst mogelijke impact, dat spreekt voor zich. De verschuiving is die van producten naar services, naar functies.

Die beweging zal de gassector ook moeten maken: het gaat niet om kubieke meters maar om energiefuncties, zoals hoge- en lagetemperatuurwarmte, transport en mobiliteit, verlichting en apparaten. In die functies zal binnen het nog resterende koolstofbudget moeten worden voorzien.

Maar de bal ligt niet alleen bij de sector, ook voor de samenleving is er werk aan de winkel. Dat blijkt als we de percepties over energie naast de feiten leggen. Er is nog wel een kloof te overbruggen: de energievoorziening verschuift van compacte energiedragers die ondergronds konden worden gewonnen naar ruimte-intensief, zichtbaar, bovengronds. Gaat de samenleving dat accepteren?

Er zijn vrijwel geen scenario’s die de tweegradendoelstelling kunnen halen zonder flink aandeel CO2-afvang en opslag, CCS, ook voor gastoepassingen. Maar haast niemand lijkt daar aan te willen. We denken dat de energievoorziening nu al voor een derde op duurzame bronnen draait.

Zelfs positief nieuws lijkt niet te worden gepikt. Volgens een bierviltje-berekening lijkt de nog resterende Nederlandse gasvoorraad te passen binnen een carbon budget dat ons land nog zou mogen benutten gelet op de tweegradendoelstelling (als koolstofintensievere energiedragers worden weggedrukt). Maar wie dat naar voren brengt wordt zo ongeveer met pek en veren afgevoerd, samen met degene die onderstreept dat Waddengas nog steeds zonder natuurschade kan worden gewonnen.

Dus niet alleen de gassector moet veranderen en zijn nieuwe rol in transitie beter definiëren en vormgeven, de samenleving zal zich ook helderder moeten uitspreken over de randvoorwaarden waaronder de energievoorziening zich kan ontwikkelen. Als daar eindeloze discussies over blijven bestaan, alle spelers geconfronteerd blijven worden met een hoge mate van onzekerheid, als modegolven over welke opties en technologieën nu weer het meest gewenst of juist taboe zijn het beeld blijven domineren, dan komt er van een duurzame energievoorziening helemaal niets terecht.

Als de gassector nu de nieuwe rol voluit oppakt, en ook het debat over sturing en randvoorwaarden in durft te gaan, dan wil ik wel toegeven dat ik het met mijn suggestie voor een Waterstofunie in 1990 verkeerd zag. Dat had een Energietransitie-Unie moeten zijn. Toen was het te vroeg, nu is de tijd meer dan rijp. Weliswaar wordt niet alles vloeibaar onder druk, maar uitgerekend gas dus wel. En die druk zal nog wel even blijven.

Jan Paul van Soest, eerder gepubliceerd als column op www.energiepodium.nl  22-04-2016.

Echt iets doen aan behoud van onze biodiversiteit, onze natuur

De laatste tijd vinden er nogal wat bijeenkomsten, expert meetings, conferenties en dergelijk plaats die allemaal biodiversiteit of natuurlijk kapitaal als thema hebben. Deskundigen, ondernemers, beleidsmakers vertellen elkaar wat er moet gebeuren om onze planeet te behouden en de variatie aan planten en dieren te beschermen en vooral ook hoe dat moet gebeuren. Allemaal bevlogen mensen die op de een of andere manier iets hebben met dit onderwerp. Ik ben daar ook vaak bij, eerlijk is eerlijk.

Toch bekruipt me in toenemende mate een gevoel van “what am I doing here?’ Ik probeer te begrijpen waar dit gevoel vandaan komt. Is het vanwege een déjà vue, een gevoel van ‘dit hebben we al jaren geleden ook besproken en bediscussieerd’, een ‘dit weten we toch al’? Is het omdat ik bemerk dat we niet veel verder komen? Is het misschien en vermoeidheid na jaren van inzet en betrokkenheid? Ja, al dit soort overwegingen komen bij me op en bepalen dat gevoel. Zeker ook het gevoel dat we meer met elkaar bezig zijn dan samen een stap zetten die er toe doet.

Sturing van de energietransitie: duwen tegen een touw

Windturbines (hier bij de bruinkolenmijn bij Garzweiler, Duitsland). Alle energieopties roepen verzet op.

Het lijkt wel een nationale hobby: discussiëren over de vraag welke opties we het liefste willen, of vooral juist niet willen.

Wel wind, maar niet op land. En op zee is het te duur. Energiebesparing? Moeilijk moeilijk moeilijk. Biomassa? Alleen als ‘ie door en door duurzaam is, en niet wordt bijgestookt in kolencentrales. Geen benutting van restwarmte; vroeger niet omdat kapitalistische warmte niet welkom was in socialistische huizen, nu niet omdat de restwarmte van kolencentrales afkomstig is. En omdat we binnen een paar jaar al magisch in het beloofde land van allemaal nul op de meter-woningen zijn aangeland. O ja, en geen geothermie want daar kan fracking voor nodig zijn en dat schijnt heel eng te zijn. En natuurlijk geen CO2-afvang en opslag, want dat houdt het fossiele systeem in stand. En zeker geen kernenergie, dat spreekt voor zich.
En zo voort en zo verder.