Onder druk wordt gas vloeibaar

Gassector moet tonen dat het menens is met energietransitie

We schrijven 1990. Als kersvers directeur van onderzoeksbureau CE Delft moest ik op een energiecongres mijn maidenspeech houden. Ik vertelde onder meer dat uit ons onderzoek bleek dat in het gasnet tot mogelijk tot 10% waterstof zou kunnen worden bijgemengd. Die zou uit hernieuwbare bronnen kunnen worden geproduceerd, en dergelijke oplossingen zouden de overgang naar een duurzame economie verder helpen. Overgang – het woord transitie bestond nog niet. Ik voegde daar in mijn jeugdige onschuld aan toe dat het me denkbaar leek dat Gasunie ergens tussen 2000 en 2010 zijn naam zou veranderen in Waterstofunie.

Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Tegenwoordig moet je iemand van ten minste bestialiteit betichten om in opspraak te komen, destijds was het woord Waterstofunie al genoeg. Na afloop van mijn speech stapte een hoge functionaris van Gasunie op me af en beet me toe: “Mijnheer Van Soest, u hebt de company beledigd!”. Hij draaide zich om en beende weg, mij verbluft achterlatend. Ik had geen idee wat ik had misdaan.

Dat ben ik pas later gaan snappen.

Ik moest recent aan dat voorval terugdenken, nu de maatschappelijke discussie over gas compleet is gekanteld, onder invloed van vooral de schaliegasdiscussie (lees het schitterende boek van Remco de Boer erover), de aardbevingen in Groningen, en de aanzwellende klimaatdiscussie. Het is duidelijk: de toekomst kan niet meer dezelfde kan zijn als het roemrijke verleden.

Zo gaat dat: het is heel lastig een uiteindelijk onvermijdelijke verandering in een vroeg stadium te zien aankomen. We waren in 1990 natuurlijk veel te vroeg met onze studies naar nieuwe economische modellen, klimaatverandering, waterstofbijmenging, verregaande energievraagreductie. Gas was immers dé schone energiebron, comfortabel, betrouwbaar, de kurk waarop de welvaart dreef, inheems – wat wilden we nog meer? En dan nadenken over een Waterstofunie? Logisch dat dit idee als belediging van een trotse bedrijfstak werd ervaren.

Maar de nieuwe realiteiten zijn onmiskenbaar, en de sector is begonnen zichzelf opnieuw uit te vinden: de gaswereld zal zich tot een stuwende kracht van de energietransitie moeten ontwikkelen, en laten zien dat het menens is. Dat betekent ontwikkelen van en investeren in nieuwe businessmodellen die de overgang naar een emissieloze economie versnellen. Of liever breder nog: een nul-impact energiehuishouding. De klimaatverandering staat behoorlijk op de agenda, maar nog lang niet alle consequenties van een tweegradendoelstelling en bijbehorend koolstofbudget worden doorzien en geaccepteerd. Daarnaast zijn er meer factoren die het wel en wee van de planeet en daarmee ook van mensen en economieën bepalen, zoals het onvoorstelbare verlies aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten, de op hol geslagen stikstofcyclus en ook de zwavel- en roetproblematiek zoals Bernice Notenboom in haar film Seablind laat zien.

Niet de minste pionierende bedrijven plaveiden de weg voor de nul-impact-economie: kantoorinrichter Ahrend verkoopt geen stoelen meer maar levert uren comfortabel zitten. Philips levert geen lampen, maar goed verlichte werkplekken. VolkerWessels bouwt niet zomaar huizen meer, maar woonomgevingen die gelukkig maken. En dat alles tegen de laagst mogelijke impact, dat spreekt voor zich. De verschuiving is die van producten naar services, naar functies.

Die beweging zal de gassector ook moeten maken: het gaat niet om kubieke meters maar om energiefuncties, zoals hoge- en lagetemperatuurwarmte, transport en mobiliteit, verlichting en apparaten. In die functies zal binnen het nog resterende koolstofbudget moeten worden voorzien.

Maar de bal ligt niet alleen bij de sector, ook voor de samenleving is er werk aan de winkel. Dat blijkt als we de percepties over energie naast de feiten leggen. Er is nog wel een kloof te overbruggen: de energievoorziening verschuift van compacte energiedragers die ondergronds konden worden gewonnen naar ruimte-intensief, zichtbaar, bovengronds. Gaat de samenleving dat accepteren?

Er zijn vrijwel geen scenario’s die de tweegradendoelstelling kunnen halen zonder flink aandeel CO2-afvang en opslag, CCS, ook voor gastoepassingen. Maar haast niemand lijkt daar aan te willen. We denken dat de energievoorziening nu al voor een derde op duurzame bronnen draait.

Zelfs positief nieuws lijkt niet te worden gepikt. Volgens een bierviltje-berekening lijkt de nog resterende Nederlandse gasvoorraad te passen binnen een carbon budget dat ons land nog zou mogen benutten gelet op de tweegradendoelstelling (als koolstofintensievere energiedragers worden weggedrukt). Maar wie dat naar voren brengt wordt zo ongeveer met pek en veren afgevoerd, samen met degene die onderstreept dat Waddengas nog steeds zonder natuurschade kan worden gewonnen.

Dus niet alleen de gassector moet veranderen en zijn nieuwe rol in transitie beter definiëren en vormgeven, de samenleving zal zich ook helderder moeten uitspreken over de randvoorwaarden waaronder de energievoorziening zich kan ontwikkelen. Als daar eindeloze discussies over blijven bestaan, alle spelers geconfronteerd blijven worden met een hoge mate van onzekerheid, als modegolven over welke opties en technologieën nu weer het meest gewenst of juist taboe zijn het beeld blijven domineren, dan komt er van een duurzame energievoorziening helemaal niets terecht.

Als de gassector nu de nieuwe rol voluit oppakt, en ook het debat over sturing en randvoorwaarden in durft te gaan, dan wil ik wel toegeven dat ik het met mijn suggestie voor een Waterstofunie in 1990 verkeerd zag. Dat had een Energietransitie-Unie moeten zijn. Toen was het te vroeg, nu is de tijd meer dan rijp. Weliswaar wordt niet alles vloeibaar onder druk, maar uitgerekend gas dus wel. En die druk zal nog wel even blijven.

Jan Paul van Soest, eerder gepubliceerd als column op www.energiepodium.nl  22-04-2016.

Echt iets doen aan behoud van onze biodiversiteit, onze natuur

De laatste tijd vinden er nogal wat bijeenkomsten, expert meetings, conferenties en dergelijk plaats die allemaal biodiversiteit of natuurlijk kapitaal als thema hebben. Deskundigen, ondernemers, beleidsmakers vertellen elkaar wat er moet gebeuren om onze planeet te behouden en de variatie aan planten en dieren te beschermen en vooral ook hoe dat moet gebeuren. Allemaal bevlogen mensen die op de een of andere manier iets hebben met dit onderwerp. Ik ben daar ook vaak bij, eerlijk is eerlijk.

Toch bekruipt me in toenemende mate een gevoel van “what am I doing here?’ Ik probeer te begrijpen waar dit gevoel vandaan komt. Is het vanwege een déjà vue, een gevoel van ‘dit hebben we al jaren geleden ook besproken en bediscussieerd’, een ‘dit weten we toch al’? Is het omdat ik bemerk dat we niet veel verder komen? Is het misschien en vermoeidheid na jaren van inzet en betrokkenheid? Ja, al dit soort overwegingen komen bij me op en bepalen dat gevoel. Zeker ook het gevoel dat we meer met elkaar bezig zijn dan samen een stap zetten die er toe doet.

Sturing van de energietransitie: duwen tegen een touw

Windturbines (hier bij de bruinkolenmijn bij Garzweiler, Duitsland). Alle energieopties roepen verzet op.

Het lijkt wel een nationale hobby: discussiëren over de vraag welke opties we het liefste willen, of vooral juist niet willen.

Wel wind, maar niet op land. En op zee is het te duur. Energiebesparing? Moeilijk moeilijk moeilijk. Biomassa? Alleen als ‘ie door en door duurzaam is, en niet wordt bijgestookt in kolencentrales. Geen benutting van restwarmte; vroeger niet omdat kapitalistische warmte niet welkom was in socialistische huizen, nu niet omdat de restwarmte van kolencentrales afkomstig is. En omdat we binnen een paar jaar al magisch in het beloofde land van allemaal nul op de meter-woningen zijn aangeland. O ja, en geen geothermie want daar kan fracking voor nodig zijn en dat schijnt heel eng te zijn. En natuurlijk geen CO2-afvang en opslag, want dat houdt het fossiele systeem in stand. En zeker geen kernenergie, dat spreekt voor zich.
En zo voort en zo verder.

Innovaties bij Shell: onder druk wordt alles vloeibaar?

© J.P. van Soest. Maquette GtL-fabriek Shell Amsterdam

© J.P. van Soest. Maquette GtL-fabriek Shell Amsterdam

Of ik mijn schoenmaat vooraf wilde opgeven. Ik zal niet de enige van de handvol deelnemers aan een werkbezoek aan Shell Technology Centre Amsterdam (STCA) die wat verbaasd was. Maar het was om beschermend schoeisel in de juiste maat te kunnen klaarzetten, waarmee we door de laboratoria en de Gas to Liquids demo-fabriek konden banjeren. Voor mij een werkbezoek met bijzondere associaties: ooit, rond 1980, liep ik stage bij toen nog Koninklijke Shell Laboratoria Amsterdam, KSLA, omdat ik het denken en doen bij zo’n groot concern van binnenuit wilde ervaren. Als milieukundige in statu nascendi wist ik: ik ga met Shell en vergelijkbare bedrijven te maken krijgen, dan is een klein kijkje in de keuken een nuttige basis.

Contouren van een Energieakkoord 2.0

Lagerwey windturbines, assemblagehal. Een Energieakkoord 2.0 kan de ontwikkeling van hernieuwbare energie verder versnellen. © J.P. van Soest

Lagerwey windturbines, assemblagehal. Een Energieakkoord 2.0 kan de ontwikkeling van hernieuwbare energie verder versnellen. © J.P. van Soest

Er gaat haast geen dag voorbij of er wordt wel weer geduwd en getrokken aan het Energieakkoord. En telkens weer komt minister Kamp van Economische Zaken uitleggen dat de doelen van het Akkoord worden gehaald, maar dat dan wel het akkoord overeind moet blijven. Als er aan gemorreld blijft worden, wordt het halen van de doelen natuurlijk steeds moeilijker.

Een lastig dilemma: het Energieakkoord heeft als functie stabiliteit te brengen in een zwalkend energiebeleid, maar er is een aantal weeffouten in het akkoord geslopen, die op zeker moment niet houdbaar meer zijn. Die zijn de reden voor het gemor en gemorrel.